Landelijke Vereniging Lokale Belastingen
Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:724&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Heeft u vragen of opmerkingen?

Je naam (verplicht)

Je e-mail (verplicht)

Onderwerp

Je bericht



Wanneer je dit formulier gebruikt, ga je akkoord met de opslag en verwerking van jouw gegevens door deze website.

Informatie

Wij horen graag van u. Vul het formulier in, dan zullen wij spoedig reageren.

Volg ons overal...

ONS ADRES

Verenigingsbureau LVLB
Stadsplateau 1
3521 AZ Utrecht

Postbus 5150
3502 JD Utrecht

Telefoon: 0183-641070
Email: info@lvlb.nl

ECLI:NL:GHAMS:2018:724 Gerechtshof Amsterdam, 01-03-2018, 16/00227

ECLI:NL:GHAMS:2018:724 Gerechtshof Amsterdam, 01-03-2018, 16/00227
18 april 2018 Verenigingsbureau
Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:724&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De heffingsambtenaar heeft aan belanghebbende met dagtekening 29 april 2014 een aanslag leges opgelegd ten bedrage van € 450 voor het in behandeling nemen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning.

1.2.

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak van 18 februari 2015 het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.

1.3.

Na het door belanghebbende ingestelde beroep heeft de rechtbank in haar uitspraak:

  • het beroep gegrond verklaard;

  • de uitspraak op bezwaar vernietigd;

  • de aanslag herroepen en bepaald dat de uitspraak van de rechtbank in de plaats treedt van de vernietigde bestreden uitspraak; en

  • de heffingsambtenaar opgedragen het betaalde griffierecht van € 45 aan belanghebbende te vergoeden.

1.4.

Het tegen deze uitspraak door de heffingsambtenaar ingestelde hoger beroep is bij het Hof ingekomen op 24 mei 2016, aangevuld bij brief van 2 juni 2016. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 januari 2018. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

2 Feiten

2.1.

Op 28 maart 2014 heeft belanghebbende een aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor het aanbrengen van geschilderde gevelbelettering aan het gebouw [straat] te [Z] . Het gebouw is een rijksmonument.

2.2.

Bij besluit van 15 april 2014 heeft het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Centrum van de gemeente [Z] aan belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo)) en het slopen, verstoren, verplaatsen of in enig opzicht wijzigen van een beschermd monument of het herstellen, gebruiken of laten gebruiken van een beschermd monument op een wijze waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wabo).

2.3.

Bij de aanslag zijn de verschuldigde leges vastgesteld op € 450, op grond van de Legesverordening 2014 van de gemeente [Z] (hierna: de Legesverordening) en rubriek 3.1.7 van de bijbehorende Tarieventabel 2014 (hierna: de Tarieventabel), vanwege het in behandeling nemen van een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onderdeel f, van de Wabo.

2.4.

In haar bezwaarschrift van 5 juni 2014 heeft belanghebbende onder meer het volgende geschreven:

“Ik maak bezwaar tegen de hoogte van het bedrag [Hof: van de aanslag] welke niet in verhouding staat tot de bouwkosten. Ik heb de vergunningsaanvraag met één van uw medewerkers op het stadhuis ingevuld. Ik heb daarbij de bouwsom moeten invullen (+/- 100 euro, werkelijke kosten waren 78 euro) Het was mij niet duidelijk waarom ik dat moest invullen. Uw medewerkster liet mij weten dat de leges een aantal procenten van deze bouwsom zou bedragen. Ik ben er vanuit gegaan dat deze maximaal 50 euro zouden kunnen bedragen. Echter tot mijn grote verbazing ontving ik van u een rekening van nota bene 450 euro. Ik ben daar erg van geschrokken. Indien ik dat had geweten dan zou ik de aanvraag niet hebben gedaan op dat moment. Ik ben een startende ondernemer en financieel nog in een zeer kwetsbare positie.”

2.5.

In zijn uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar – voor zover hier relevant – het volgende medegedeeld:

“In het kader van de afhandeling van het bezwaarschrift is er op 16 februari 2015 telefonisch contact met u opgenomen. In aanvulling op het gestelde in uw bezwaarschrift deelt u het volgende mee. De aanslag is te hoog. U heeft voorafgaand aan het indienen van de aanvraag omgevingsvergunning informatie ingewonnen. U heeft ook persoonlijk gepraat met een medewerkster van het stadsdeel. De leges zouden slechts een aantal procenten van de bouwsom gaan bedragen. U had dan ook een rekening van ongeveer 75 euro verwacht. Het was u en de medewerkster duidelijk dat uw bedrijf in een rijksmonument zou worden gevestigd. (…)

Ik merk het volgende op. (…) Informatie over de inhoud van de Legesverordening en de bijbehorende tarieventabel is verkrijgbaar op de website aan het stadsdeel. Ook bij het in behandeling nemen van een aanvraag wordt duidelijk vermeld dat er aan het in behandeling nemen van een aanvraag kosten zijn verbonden. (…) Ik bied mijn verontschuldigingen aan voor het feit dat een medewerkster van het stadsdeel u niet volledig genoeg heeft kunnen informeren over de kosten die aan het indienen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning zijn verbonden, maar deze informatie is voor eenieder ook digitaal beschikbaar via de website van het stadsdeel.”

2.6.

Tijdens de zitting in eerste aanleg heeft belanghebbende onder andere het volgende verklaard (in antwoord op een vraag van de rechtbank):

“[vraag rechtbank]

Als u meteen bij de balie het juiste bedrag had gehoord, wat had dat dan voor u betekend?

[belanghebbende]

Dan had ik op de binnenkant van mijn raam belettering aangebracht. Dan had ik deze aanvraag niet op dit moment gedaan.”

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De rechtbank heeft in haar uitspraak als volgt omtrent het geschil overwogen en beslist (in de uitspraak van de rechtbank wordt belanghebbende aangeduid als ‘eiseres’ en de heffingsambtenaar als ‘verweerder’):

“1.4. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder de door eiseres verschuldigde leges gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe gesteld dat eiseres leges verschuldigd is voor een vast bedrag van € 450,- voor het in behandeling nemen van haar aanvraag tot het wijzigen van een rijksmonument.
Dit bedrag is volgens verweerder niet afhankelijk van de omvang van de werkzaamheden noch van de kosten ervan. Verweerder verwijst naar de website van de gemeente voor informatie over de inhoud van de Legesverordening en de bijbehorende Tarieventabel. Voor zover eiseres niet juist is geïnformeerd door een baliemedewerkster bij het indienen van de aanvraag, verontschuldigt verweerder zich hiervoor.

2.1.

Eiseres stelt in beroep dat zij onjuist is geïnformeerd door een baliemedewerkster over de hoogte van de leges die op grond van de Tarieventabel bij de Legesverordening gelden voor het aanbrengen van een wijziging aan een monument. Eiseres beroept zich aldus op het vertrouwensbeginsel. Zij heeft de aanvraag in persoon ingediend bij het bouwloket van verweerder nadat zij aldaar was geïnformeerd dat de hoogte van de leges enkele procenten van de bouwsom (die zijn geschat op 100 euro) zouden zijn. Zij stelt dat, als zij op voorhand zou zijn geïnformeerd over de hoogte van haar leges, dat zij dan zou hebben besloten de aanvraag niet in te dienen. Zij zou dan aan de binnenzijde van haar raam een tekstbord hebben aangebracht, hetgeen zonder de hier aangevraagde vergunning mogelijk is. Verder heeft eiseres aangevoerd dat de uitspraak op bezwaar niet tijdig is gedaan.

2.2.

Volgens verweerder is geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen bij eiseres dat er voor een lager bedrag aan leges zou worden geheven. Voorts verwijst verweerder naar het arrest van de Hoge Raad van 24 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA3345, waaruit volgt dat er geen rechtsreeks verband is vereist tussen de hoogte van de leges en de omvang van de dienst dan wel de werkelijk gemaakte kosten daarvan.

2.3.

Naar aanleiding van de stelling van eiseres dat verweerder de uitspraak op bezwaar niet tijdig heeft gedaan, verwijst de rechtbank naar het bepaalde in artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht. Op grond van die bepaling wordt voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. Tegen het niet tijdig beslissen stond dan ook beroep bij de rechtbank open. De rechtbank stelt vast dat eiseres eerst beroep heeft ingesteld tegen de bestreden uitspraak, hetgeen door eiseres ter zitting ook is erkend. De onderhavige procedure ziet aldus niet op het niet-tijdig beslissen van verweerder.

2.4.

Naar aanleiding van het beroep van eiseres op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank dat in het algemeen geen in rechte te honoreren vertrouwen kan worden gewekt door een mededeling van een onbevoegde ambtenaar. Er kunnen zich echter omstandigheden voordoen waaronder de onjuiste veronderstelling van een belanghebbende dat de ambtenaar wel bevoegd is, voor rekening van -in dit geval- de heffingsambtenaar dient te komen.

2.5.

Gelet op de tekst van het mandaatsbesluit is niet op voorhand uit te sluiten dat de loketambtenaar niet tevens op grond van dat besluit gemandateerde is van de heffingsambtenaar. Bij beslissing van 22 december 2015 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder gevraagd naar de functie van de behandelend ambtenaar die de aanvraag van eiseres in behandeling heeft genomen. Verder heeft de rechtbank verweerder gevraagd om aan te geven of deze ambtenaar (tevens) gemandateerd is namens de heffingsambtenaar beslissingen te nemen.

2.6.

Verweerder heeft bij brief van 12 januari 2016 meegedeeld dat niet bekend is met welke medewerker eiseres aan het loket heeft gesproken en dat de vraag naar de functie en de mandatering van deze medewerker dus niet kan worden beantwoord. Eiseres heeft bij brief van 29 januari 2016 aangegeven dat verweerder de naam van de medewerker eenvoudig zou moeten kunnen nagaan. Bij brief van 22 februari 2016 heeft verweerder aangegeven dat niet is na gaan met welke medewerker eiseres heeft gesproken, omdat eiseres zich de naam van de medewerker niet kan herinneren en in genoemde periode nog geen gebruik werd gemaakt van een digitale agenda.

2.7.

De rechtbank overweegt dat op grond van het voorgaande niet kan worden vastgesteld of de loketmedewerker gemandateerd was door de heffingsambtenaar. Er zijn ook overigens onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen oordelen dat eiseres er van heeft kunnen uit gaan dat de loketambtenaar bevoegd was om namens de heffingsambtenaar toezeggingen te doen over de hoogte van de leges. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.

2.8.

De rechtbank begrijpt dat eiseres de aanslag bestrijdt, omdat ze op het moment van de aanvraag onzeker was van de hoogte van de aanslag. De rechtbank begrijpt deze grond van eiseres aldus dat eiseres gebruik had willen maken van een ‘meerdaagse bedenktijd’. De rechtbank is van oordeel dat het wenselijk is om een aanvrager enige bedenktijd te gunnen, omdat hij zich moet bezinnen op zijn financiële positie, De rechtbank stelt vast dat de Legesverordening geen ‘meerdaagse bedenktijd’ kent. De omstandigheid dat de verordening geen meerdaagse bedenktijd kent, leidt echter niet tot onverbindendheid daarvan. Bij het ontbreken van een uitdrukkelijke bepaling over een zodanige bedenktijd moet worden aangenomen dat de belastingplichtige in voorkomend geval de heffing zal kunnen bestrijden op de grond dat de gemeente de aanvraag in behandeling neemt (waarmee het belastbare feit plaatsvindt) zonder voldoende zeker te zijn of de kostenopgaaf de aanvrager al dan niet aanleiding geeft de aanvraag in te trekken (zie het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR7769).

2.9.

De stelling van verweerder ter zitting dat die bedenktijd is opgenomen in rubriek 3.1.10.4. van de Tarieventabel wordt door de rechtbank niet gevolgd. Uit die bepaling volgt dat voor een aanvraag waarop de reguliere voorbereidingsprocedure van toepassing is die binnen drie weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen wordt ingetrokken respectievelijk voor een aanvraag waarop de uitgebreide openbare voorbereidingsprocedure van toepassing is die binnen zes weken wordt ingetrokken, op verzoek teruggaaf van 50% van de geheven leges wordt verleend, met dien verstande dat het te betalen legesbedrag nooit minder is dan € 250,-. In dat geval heeft het belastbare feit immers reeds plaatsgevonden, terwijl dat bij de ‘meerdaagse bedenktijd’ niet het geval is.

2.10.

In het onderhavige geval heeft het belastbare feit plaats gevonden door het in behandeling nemen, aan het loket, van de aanvraag van eiseres om een omgevingsvergunning. Gelet op de door verweerder niet betwiste gang van zaken waarbij eiseres die aanvraag bij het loket heeft ingediend direct nadat zij aldaar is geïnformeerd over een achteraf gebleken onjuist bedrag aan te heffen leges, heeft verweerder ten onrechte nagelaten zekerheid te verkrijgen of de kosten al dan niet aanleiding geven de aanvraag in te trekken. Anders dan verweerder stelt, is daartoe niet voldoende dat eiseres zich (in dit geval dus achteraf) van de bedragen in de Legesverordening op de hoogte had kunnen stellen. Eiseres had de aanvraag immers toen reeds ingediend.

2.11.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiseres ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld om de aanvraag in te trekken. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder de aanslag bij de bestreden uitspraak ten onrechte heeft gehandhaafd.

3. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat de aanslag wordt vernietigd.

4. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”

4.2.1.

In hoger beroep heeft de heffingsambtenaar als primair standpunt aangevoerd dat de rechtbank buiten de rechtsstrijd is getreden, aangezien zij in het beroepschrift van belanghebbende ten onrechte een beroep op de zogenoemde meerdaagse bedenktijd heeft gelezen. Indien een belanghebbende geen beroep op deze bedenktijd doet, kan de toetsing door de rechtbank zich hier niet ambtshalve toe uitstrekken. Reeds op die grond kan de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijven, zo stelt de heffingsambtenaar.

4.2.2.

Subsidiair heeft de heffingsambtenaar gesteld dat de rechtbank in het onderhavige geval ten onrechte heeft geoordeeld dat aan belanghebbende een meerdaagse bedenktijd had moeten zijn verleend. Het arrest van de Hoge Raad van 2 december 2005, nr. 40.079, ECLI:NL:HR: 2005:AR7769, BNB 2006/69, heeft betrekking op de situatie waarin het tarief van de verschuldigde leges niet in de verordening is vastgelegd. In de casus van het arrest betrof het een aanvraag voor een bestemmingsplanwijziging waarbij het bedrag van de verschuldigde leges werd bepaald op de werkelijke voor de wijzigingsprocedure te maken kosten, terwijl de exacte omvang van deze kosten niet van te voren kon worden vastgesteld. Om te vermijden dat de aanvrager in een dergelijk geval wordt geconfronteerd met een bedrag aan te heffen leges waarmee hij geen rekening heeft kunnen houden, dient op grond van het genoemde arrest aan de aanvrager een bedenktijd te worden gegeven vanaf het moment waarop het werkelijke bedrag van de verschuldigde leges aan de aanvrager is medegedeeld.
Een dergelijk geval doet zich in casu niet voor: in rubriek 3.1.7 van de rechtsgeldig vastgestelde en bekend gemaakte Tarieventabel is vermeld dat het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag als de onderhavige € 450 bedraagt. Een ieder kan zich voorafgaand aan het indienen van een aanvraag op de hoogte stellen van de in de Verordening en de daarbij behorende Tarieventabel vermelde bedragen. In het onderhavige geval bestaat derhalve geen grond voor de door de rechtbank aangenomen verplichting tot het verlenen van een meerdaagse bedenktijd. Aangezien de rechtbank de overige grieven van belanghebbende terecht heeft verworpen, had de rechtbank het beroep ongegrond moeten verklaren, zo stelt de heffingsambtenaar.

4.3.

Belanghebbende heeft in hoger beroep aangevoerd dat zij de aanvraag niet zou hebben ingediend, indien zij ten tijde van de aanvraag de juiste informatie van de baliemedewerkster had gekregen. Zij zou dan hebben gekozen voor belettering aan de binnenzijde van het raam (waarvoor geen vergunning nodig is). Belanghebbende heeft aan de heffingsambtenaar gedetailleerde informatie verstrekt omtrent het onderhoud dat zij heeft gehad met een baliemedewerkster van het stadsdeelkantoor, inhoudend dat zij telefonisch een afspraak heeft gemaakt voor een gesprek op 28 maart 2013 om 13.00 uur aan balie 24 van de bouwcommissie. Belanghebbende acht het daarom onbegrijpelijk dat de heffingsambtenaar niet heeft kunnen achterhalen met wie belanghebbende destijds heeft gesproken. De heffingsambtenaar heeft zodoende niet nagegaan of de door belanghebbende geschetste gang van zaken klopt. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

4.4.1.

Het Hof verwerpt het primaire standpunt van de heffingsambtenaar. De vraag of in een geval als het onderhavige aan de belanghebbende na de indiening van een aanvraag een (meerdaagse) bedenktijd dient te worden gegeven, betreft een rechtsvraag. Het gaat daarbij om toepassing van het beginsel dat de tariefbepaling in een verordening aan de belastingplichtige op voldoende duidelijke wijze inzicht geeft in het beloop van het van hem te heffen bedrag (zie r.o. 3.4.1 van het arrest BNB 2006/69 en vgl. onder meer HR 22 juli 1985, nr. 22.780, ECLI:NL:HR:1985:AW8220, BNB 1985/259). De rechter is bevoegd, bij zijn beoordeling van de vraag of de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd, de rechtsgronden ambtshalve aan te vullen (zie artikel 8:68, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)). Dit nog daargelaten dat belanghebbende tijdens de zitting in eerste aanleg heeft verklaard (zie onder 2.6) dat zij haar aanvraag niet zou hebben ingediend indien zij tijdens het gesprek met de baliemedewerkster het juiste bedrag aan verschuldigde leges zou hebben vernomen, welke stelling de rechtbank heeft opgevat (en heeft kunnen opvatten) als een beroep op (het recht op) een meerdaagse bedenktijd.

4.4.2.

Het subsidiaire standpunt van de heffingsambtenaar treft evenwel doel. Zoals in 4.4.1 is overwogen, komt de vraag of aan de belanghebbende een (meerdaagse) bedenktijd dient worden geboden aan de orde, indien de tariefbepaling in (de tarieventabel bij) de toepasselijke verordening onvoldoende inzicht verschaft in het te heffen bedrag aan leges voor het indienen van een aanvraag. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake; het tarief voor de ingediende aanvraag bedraagt ingevolge de Tarieventabel € 450. In een dergelijk geval is de heffingsambtenaar niet verplicht aan de aanvrager een zogenoemde meerdaagse bedenktijd te verlenen. Het oordeel van de rechtbank dat de aanslag dient te worden vernietigd omdat de heffingsambtenaar belanghebbende ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld haar aanvraag in te trekken alvorens de aanvraag in behandeling te nemen, berust derhalve op een onjuiste rechtsopvatting.

4.4.3.

Bij deze stand van zaken herleven de overige grieven die belanghebbende in beroep tegen de aanslag heeft aangevoerd. Het Hof oordeelt hierover als volgt.

4.4.4.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de onderhavige procedure geen betrekking heeft op het niet-tijdig nemen van een besluit door de heffingsambtenaar. Het Hof onderschrijft hetgeen de rechtbank hierover in onderdeel 2.3 van haar uitspraak heeft overwogen en maakt deze overwegingen tot de zijne.

4.4.5.

Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Belanghebbende heeft gesproken met een baliemedewerkster van het Stadsdeel Centrum, die na een vraag van belanghebbende mondelinge inlichtingen heeft verstrekt over de te verwachten hoogte van de verschuldigde leges. Belanghebbende heeft tegenover de betwisting door de heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat door een daartoe bevoegde medewerker namens de heffingsambtenaar een bewuste standpuntbepaling is ingenomen omtrent het toepasselijke tarief. Evenmin is aannemelijk geworden dat de baliemedewerkster de aan de heffingsambtenaar toerekenbare schijn van bevoegdheid heeft gewekt. Bovendien is gesteld noch aannemelijk geworden dat belanghebbende, afgaande op de onjuiste inlichtingen van de baliemedewerkster, een handeling heeft verricht of nagelaten ten gevolge waarvan zij niet alleen de verschuldigde belasting heeft te betalen, maar daarenboven schade heeft geleden (vgl. HR 19 december 1990, nr. 25.957, ECLI:NL:HR:1990:ZC4483, BNB 1991/77).

4.4.6.

Hetgeen belanghebbende voor het overige heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

4.5.

De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep van de heffingsambtenaar doel treft. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep van belanghebbende ongegrond verklaren. Wel ziet het Hof in de ongelukkige wijze van communicatie door de hiervoor vermelde baliemedewerkster – waarvoor de heffingsambtenaar in zijn uitspraak op bezwaar en zijn verweerschrift in eerste aanleg zijn verontschuldigingen heeft aangeboden – aanleiding om met toepassing van artikel 8:74, tweede lid, Awb de uitspraak van de rechtbank in stand te laten, voor zover daarin de heffingsambtenaar wordt gelast het betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

6 Beslissing

  • vernietigt de uitspraak van de rechtbank, behoudens de beslissing inzake de vergoeding van het griffierecht, en

  • verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, E.A.G. van der Ouderaa en D.J. de Korte, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. G.H.G. Otten als griffier. De beslissing is op 1 maart 2018 in het openbaar uitgesproken.

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Comments (0)

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*