Landelijke Vereniging Lokale Belastingen
Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:14763&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Heeft u vragen of opmerkingen?

Je naam (verplicht)

Je e-mail (verplicht)

Onderwerp

Je bericht



Wanneer je dit formulier gebruikt, ga je akkoord met de opslag en verwerking van jouw gegevens door deze website.

Informatie

Wij horen graag van u. Vul het formulier in, dan zullen wij spoedig reageren.

Volg ons overal...

ONS ADRES

Verenigingsbureau LVLB
Stadsplateau 1
3521 AZ Utrecht

Postbus 5150
3502 JD Utrecht

Telefoon: 0183-641070
Email: info@lvlb.nl

ECLI:NL:RBDHA:2017:14763 Rechtbank Den Haag, 08-12-2017, AWB – 17 _ 2558

ECLI:NL:RBDHA:2017:14763 Rechtbank Den Haag, 08-12-2017, AWB – 17 _ 2558
8 maart 2018 Verenigingsbureau
Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBDHA:2017:14763&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Procesverloop

Verweerder heeft aan eiser voor het jaar 2013 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) alsmede een aanslag inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (Zvw) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.000, een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 31.503 en een bijdrage-inkomen van € 15.833. Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen heeft verweerder een verzuimboete opgelegd van € 344 alsmede aan belastingrente in rekening gebracht inzake de aanslag IB/PVV € 1.290 en inzake de aanslag Zvw € 71.

Verweerder heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de aanslagen IB/PVV en Zvw, de beschikkingen belastingrente en de opgelegde verzuimboete gehandhaafd.

Eiser heeft daartegen beroep ingesteld.

Bij brief van 27 juni 2016 (lees 2017) heeft eiser verzocht zijn zaak te verwijzen naar een andere rechtbank dan wel om de behandeling van het beroep uit te stellen. Bij brief van 5 juli 2017 heeft de rechtbank deze verzoeken afgewezen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2017. Eiser is door de griffier bij aangetekend verstuurde brief van 12 september 2017, verzonden naar het door eiser opgegeven adres [adres 1] [plaats], onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Eiser is niet verschenen. Nu genoemde brief niet ter griffie is terugontvangen en uit informatie van PostNL is gebleken dat de brief op 14 september 2017 op genoemd adres is uitgereikt, is de rechtbank van oordeel dat de uitnodiging om op de zitting te verschijnen op juiste wijze, tijdig op het juiste adres is aangeboden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [persoon 1], [persoon 2] en [persoon 3].

Verweerder heeft ter zitting een pleitnota voorgedragen en een exemplaar daarvan overgelegd aan de rechtbank.

Overwegingen

1. Eiser is in het onderhavige jaar werkzaam geweest bij [B.V. 1] en [B.V. 2]. Uit de door verweerder overgelegde loongegevens blijkt dat eiser in 2013 € 24.167 aan loon heeft ontvangen.

2. Tot de gedingstukken behoren berichten uit het zogeheten Renseignementen Informatie Systeem (RIS) waaruit blijkt dat eiser in het onderhavige jaar eigenaar is van de woningen [adres 2], [adres 1] en [adres 3] te [plaats]. De

WOZ-waarden van die woningen zijn voor het belastingjaar 2013:

[adres 2] € 104.000

[adres 1] € 129.000

[adres 3] € 88.000

3. Blijkens een overzicht opgaaf bancaire instellingen beschikte eiser over meerdere bankrekeningen bij de ABN AMRO, SNS-bank, ING-bank en BinckBank. Het saldo van deze rekeningen bedroeg op 1 januari 2013 tezamen € 13.411.

4. Uit door verweerder overgelegde berichten uit het RIS blijkt dat eiser in het onderhavige jaar twee effectenrekeningen op zijn naam heeft staan. Het saldo van deze rekeningen bedroeg op 1 januari 2013 tezamen € 395.305. In 2013 zijn deze saldi gestegen met € 111.280.

5. Op 5 februari 2015 is eiser uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV voor het jaar 2013. Met dagtekening 22 april 2015 is aan hem een herinnering tot het doen van aangifte gestuurd en met dagtekening 9 juni 2015 is een aanmaning verzonden. Eiser heeft, ook na de aanmaning, geen aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 ingediend.

6. Verweerder heeft met dagtekening 20 mei 2016 ambtshalve de aanslag IB/PVV opgelegd.

7. Met dagtekening 20 mei 2016 heeft verweerder eveneens de aanslag Zvw ambtshalve opgelegd.

Geschil
8. In geschil is of de aanslagen IB/PVV 2013 en Zvw 2013, de beschikkingen belastingrente en de verzuimboete terecht en naar de juiste bedragen zijn opgelegd.

9. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord in bezwaar en dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld.

10. Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat eiser voor het onderhavige jaar niet de vereiste aangifte heeft gedaan, er aldus sprake is van omkering en verzwaring van de bewijslast en hij een redelijke schatting heeft gemaakt. De verzuimboete is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

11. Aan eiser is op 22 juni 2017 een brief verzonden waarin is gemeld dat de rechtbank voornemens is het beroep van eiser te behandelen op 27 oktober 2017. In deze brief staat tevens dat, onder vermelding van verhinderdata in de 30 dagen na de aangekondigde zittingsdatum, binnen één week om een andere zittingsdatum verzocht kan worden. Bij brief van 27 juni 2016 (lees 2017) heeft eiser de rechtbank verzocht zijn zaak te verwijzen naar een andere rechtbank dan wel om de behandeling van het beroep uit te stellen tot na

29 november 2017, omdat hij op de voorgenomen zittingsdatum verhinderd zou zijn. Omdat geen reden voor verwijzing bestaat en eiser te veel verhinderdata heeft opgegeven, heeft de rechtbank de verzoeken van eiser afgewezen.

12. Eiser heeft aangevoerd dat hij ten onrechte niet in de bezwaarfase is gehoord. Eiser heeft in het bezwaarschrift echter niet verzocht om te worden gehoord. Verweerder heeft bij brief van 30 november 2016 zijn voornemen kenbaar gemaakt tot afwijzing van het bezwaarschrift. In die brief stelt verweerder eiser tevens in de gelegenheid mee te delen of hij gehoord wil worden. Gesteld noch gebleken is dat eiser naar aanleiding van die brief, of op enig ander moment, heeft verzocht om te worden gehoord. Onder verwijzing naar artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is daarom van schending van de hoorplicht geen sprake.

13. De rechtbank stelt voorts vast dat de aanslagen IB/PVV 2013 en Zvw 2013 tijdig aan eiser zijn opgelegd.

14. Verweerder heeft gesteld dat eiser voor het onderhavige jaar niet de vereiste aangifte heeft gedaan als bedoeld in artikel 27e van de Awr, met als gevolg dat de rechtbank het beroep ongegrond dient te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn (de zogeheten omkering en verzwaring van de bewijslast). Dat de vereiste aangifte niet is gedaan, dient verweerder volgens regels van normale bewijslastverdeling aannemelijk te maken.

15. Vast staat dat eiser over het jaar 2013 geen aangifte IB/PVV heeft gedaan, ondanks dat hij hiertoe was uitgenodigd en hieromtrent een herinnering en een aanmaning heeft ontvangen. Dit betekent dat eiser over 2013 niet de vereiste aangifte heeft gedaan. Als gevolg hiervan dient op grond van artikel 27e, eerste lid, van de Awr de bewijslast omgekeerd en verzwaard te worden. Het ligt op de weg van eiser om te doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. Met hetgeen eiser heeft aangevoerd heeft hij niet aan deze bewijslast voldaan. De enkele stelling dat de aanslagen te hoog zijn vastgesteld, is onvoldoende. Eiser heeft hiermee niet doen blijken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn.

16. Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast de verplichting om aannemelijk te maken dat de aanslagen berusten op een redelijke schatting. Voor het bepalen van het belastbare inkomen uit werk en woning heeft verweerder zich gebaseerd op de loongegevens als vermeld onder 1 en de onder 4 vermelde stijging van de saldi van de effectenrekeningen. Aangaande die vermogensstijging heeft verweerder zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de saldi onverklaarbaar zijn gestegen en hij daarom heeft aangenomen dat in het onderhavige jaar sprake was van een resultaat uit overige werkzaamheden van € 15.833. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is door verweerder gebaseerd op de renseignementen en de door verweerder ontvangen gegevens over eisers banktegoeden en effectenportefeuille op 1 januari 2013 als vermeld onder 2 tot en met 4. Eiser heeft de juistheid van deze gegevens niet bestreden. De aanslag berust hiermee naar het oordeel van de rechtbank op een redelijke schatting. Het beroep tegen deze aanslag is ongegrond.

17. Naar het oordeel van de rechtbank is de schatting van het, overigens niet door eiser betwiste, resultaat uit overige werkzaamheden niet onredelijk. Het beroep met betrekking tot deze aanslag, is eveneens ongegrond.

Belastingrente

18. Tegen de inzake de aanslagen IB/PVV 2013 en Zvw 2013 gegeven beschikkingen belastingrente heeft eiser geen afzonderlijke beroepsgronden aangevoerd. Ook anderszins is de rechtbank niet gebleken dat de rente is berekend in strijd met de wettelijke bepalingen of enige andere rechtsregel. Het beroep, voor zover gericht tegen die beschikkingen, is dan ook ongegrond.

Verzuimboete

19. Eiser heeft de vereiste aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 niet gedaan. Uit de uitspraak van 19 september 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:11495) blijkt dat aan eiser ook voor het jaar 2012 een verzuimboete is opgelegd wegens het niet doen van aangifte. Daarom is de rechtbank van oordeel dat, in overeenstemming met artikel 67a van de Awr in samenhang met het bepaalde in paragraaf 21 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst, verweerder de verzuimboete terecht en niet naar een te hoog bedrag heeft opgelegd. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van afwezigheid van alle schuld. Eiser heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd die aanleiding zouden kunnen geven tot matiging van de boete wegens wanverhouding tussen de boete en het beboetbare feit. De rechtbank acht de verzuimboete passend en geboden. Het beroep, voor zover gericht tegen de verzuimboete, is daarom ongegrond.

Proceskosten

20. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Comments (0)

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*