Landelijke Vereniging Lokale Belastingen
Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:997&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Heeft u vragen of opmerkingen?

Je naam (verplicht)

Je e-mail (verplicht)

Onderwerp

Je bericht



Wanneer je dit formulier gebruikt, ga je akkoord met de opslag en verwerking van jouw gegevens door deze website.

Informatie

Wij horen graag van u. Vul het formulier in, dan zullen wij spoedig reageren.

Volg ons overal...

ONS ADRES

Verenigingsbureau LVLB
Stadsplateau 1
3521 AZ Utrecht

Postbus 5150
3502 JD Utrecht

Telefoon: 0183-641070
Email: info@lvlb.nl

ECLI:NL:RBGEL:2018:997 Rechtbank Gelderland, 06-03-2018, AWB – 17 _ 2052

ECLI:NL:RBGEL:2018:997 Rechtbank Gelderland, 06-03-2018, AWB – 17 _ 2052
8 maart 2018 Verenigingsbureau
Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBGEL:2018:997&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

de heffingsambtenaar van de gemeente Maasdriel, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 7 maart 2017, waarbij het bezwaar van eiser tegen de nota leges van € 455 ongegrond is verklaard.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 februari 2018. Namens eiser is verschenen zijn gemachtigde. Namens verweerder is verschenen mr. [gemachtigde] .

Beslissing

De rechtbank:

– verklaart het beroep gegrond;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– vernietigt de nota leges;

– veroordeelt verweerder in de door eiser in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1.251;

– draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 46 aan eiser te vergoeden.

Overwegingen

1. Ter zitting heeft eiser verklaard dat als de grond inzake de schending van de opbrengstlimiet slaagt, hij zijn andere beroepsgronden intrekt.

2. In de Gemeentewet is bepaald dat leges kunnen worden geheven voor door het gemeentebestuur verstrekte diensten. De legestarieven worden in een verordening zodanig vastgesteld, dat de geraamde opbrengsten die met de heffing van leges voor die diensten worden behaald niet hoger zijn dan de geraamde lasten ter zake (opbrengstlimiet) (artikelen 229 en 229b van de Gemeentewet).

3. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de aan hem opgelegde nota leges die is gebaseerd op de Legesverordening 2016. In het bezwaarschrift heeft zijn gemachtigde onder meer aangevoerd dat de Legesverordening 2016 in strijd is met de opbrengstlimiet, althans dat hij op basis van openbare informatie niet kan nagaan of daarvan sprake is. Gemachtigde heeft daarom verweerder verzocht om alle stukken die hierop betrekking hebben over te leggen waarna het bezwaar nader zou kunnen worden gemotiveerd.

4. Verweerder heeft per e-mail van 3 februari 2017, een week voor de geplande hoorzitting, enige informatie over de kostendekkendheid van de Legesverordening 2016 verstuurd. Eiser heeft daarop niet meer gereageerd en is ook niet op de hoorzitting verschenen. Daarop is het bezwaar door verweerder ongegrond verklaard.

5. In het beroepschrift heeft eiser onder meer aangevoerd dat verweerder ten onrechte geen raming van de baten en de lasten ter zake van de leges heeft verstrekt, hoewel hij daar herhaaldelijk in de bezwaarfase om heeft verzocht. Verder heeft eiser aangevoerd dat de wel overgelegde informatie te weinig is, want die heeft alleen betrekking op diensten betreffende de bouwleges en niet op alle diensten die in de Legesverordening 2016 worden geregeld. Daardoor heeft eiser niet de mogelijkheid gehad om te toetsen of die ramingen juist zijn en volgens eiser moet reeds hierom de Legesverordening 2016 onverbindend worden verklaard.

6. Verweerder voert aan dat de beroepsgrond over de opbrengstlimiet en de vraag of verweerder voldoende informatie heeft overgelegd te laat en dus in strijd met de goede procesorde is aangevoerd. De rechtbank stelt echter vast dat eiser deze grond al in het beroepschrift heeft aangevoerd en (deels) heeft onderbouwd en niet pas voor het eerst in het nadere stuk van 13 februari 2018, zoals verweerder kennelijk meent. Daarom kan de rechtbank deze grond inhoudelijk beoordelen.

7. Verweerder heeft met de e-mail van 3 februari 2017 onder meer gegevens verstrekt uit de productenbegroting 2016. Die gegevens gaan over de lasten en de baten met betrekking tot de bouwleges. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt echter dat de opbrengstlimiet moet worden beoordeeld naar het totaal van de geraamde opbrengsten en lasten van de in een legesverordening geregelde diensten (Hoge Raad 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AP1951, en Hoge Raad 13 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:282). Doordat verweerder alleen inzicht in de ramingen voor diensten op het gebied van bouwen heeft gegeven, heeft hij niet voldaan aan zijn verplichting om op verzoek van een belanghebbende inzicht te bieden in de ramingen voor de hele legesverordening (Hoge Raad 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968, en Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24 november 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:8875). Gelet hierop, en omdat verweerder ter zitting heeft aangegeven geen nadere gegevens over de ramingen te willen verstrekken, moet het ervoor worden gehouden dat de Legesverordening 2016 in strijd is met de opbrengstlimiet en dus onverbindend is jegens eiser. De nota leges is dan ook ten onrechte opgelegd.

8. Het beroep is hierom gegrond verklaard en de op de Legesverordening 2016 gebaseerde nota leges is om deze reden vernietigd.

9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar en het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.251 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 249, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.W. van de Sande, voorzitter, mr. R.A. Eskes en mr.drs. B.F. Schuver, leden, in aanwezigheid van M. Brouwer, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 – het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.

Comments (0)

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*