Landelijke Vereniging Lokale Belastingen
Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:4033&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Heeft u vragen of opmerkingen?

    Je naam (verplicht)

    Je e-mail (verplicht)

    Onderwerp

    Je bericht



    Wanneer je dit formulier gebruikt, ga je akkoord met de opslag en verwerking van jouw gegevens door deze website.

    Informatie

    Wij horen graag van u. Vul het formulier in, dan zullen wij spoedig reageren.

    Volg ons overal...

    ONS ADRES

    Verenigingsbureau LVLB
    Stationsweg 29
    4205 AA Gorinchem

    Telefoon: 0183-641070
    Email: secretariaat@lvlb.nl

    ECLI:NL:GHAMS:2017:4033 Gerechtshof Amsterdam, 03-10-2017, 16/00589 en 16/00590

    ECLI:NL:GHAMS:2017:4033 Gerechtshof Amsterdam, 03-10-2017, 16/00589 en 16/00590
    11 oktober 2017 Verenigingsbureau
    Bron: http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:4033&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

    1 Ontstaan en loop van het geding

    1.1.1.

    De heffingsambtenaar heeft met dagtekening 31 januari 2014 aan belanghebbende voor het jaar 2011 een naheffingsaanslag vermakelijkheidsretributie opgelegd van € 2.537,40.

    1.1.2.

    Met dagtekening 31 januari 2014 heeft de heffingsambtenaar aan belanghebbende voor het jaar 2012 een naheffingsaanslag vermakelijkheidsretributie opgelegd van € 3.864,20.

    1.2.

    Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de heffingsambtenaar bij afzonderlijke uitspraken, gedagtekend 18 december 2014, de aanslagen gehandhaafd.

    1.3.

    De tegen deze uitspraken ingestelde beroepen heeft de rechtbank in haar uitspraak ongegrond verklaard.

    1.4.

    De tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroepen zijn bij het Hof ingekomen op 27 december 2016, aangevuld bij brieven van 26 januari 2017. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

    1.5.

    Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2017. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.

    5 Overwegingen van de rechtbank

    De rechtbank heeft ten aanzien van het geschil – voor zover hier van belang – het volgende overwogen.

    “2. De wettelijke basis voor het heffen van vermakelijkheidsretributie wordt gevormd door artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet. Ingevolge deze bepaling kunnen gemeenten rechten heffen ter zake van het geven van vermakelijkheden waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen of waarbij een bijzondere voorziening in de vorm van toezicht of anderszins van de zijde van het gemeentebestuur getroffen wordt.

    (…)

    4. Eiseres betoogt dat haar activiteiten niet onder het begrip vermakelijkheden in de zin van artikel 229, eerste lid, aanhef en onder c, van de Gemeentewet en artikel 1, aanhef en onder a, van de Verordening vallen. Eiseres leidt uit de uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 25 april 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:1689) in de zaak Ocean Diva af dat zij niet kan worden aangemerkt als belastingplichtig omdat zij de passagiers niet fysiek rondvaart, noch op een werktuigelijke manier vermaak aanbiedt. Eiseres verhuurt alleen sloepen en stelt deze ter beschikking aan de huurder. Het aantal gebruikers van een gehuurde sloep is voor eiseres niet controleerbaar en de gedragingen van de gebruikers op de sloep zijn dat evenmin. Het staat de huurders vrij om zelf de route te bepalen. Eiseres betaalt voor alle sloepen binnenhavengeld en betaalt leges voor de aanlegsteiger. Daarnaast worden de sloepen in veel gevallen gehuurd door Amsterdammers die voor de onderhoud van de Amsterdamse wateren al worden belast via waterschapsbelasting. Voor wat betreft het btw-tarief heeft de Belastingdienst geconcludeerd dat geen sprake is van het vervoer van personen per schip als bedoeld in de Wet op de omzetbelasting en geldt voor eiseres daarom het algemene btw-tarief van 21% . Dat wijst volgens eiseres op meten met twee maten.

    5. Volgens verweerder zijn de activiteiten van eiseres aan te merken als een vermakelijkheid in de zin van de Verordening en is eiseres belastingplichtig in de zin van de Verordening. Het is voor eiseres wel mogelijk om aan te geven hoeveel personen gemiddeld per boeking op een sloep aanwezig zijn. De verplichting tot het betalen van binnenhavengeld en vermakelijkheidsretributie hebben een verschillende juridische grondslag in de Gemeentewet en berusten op verschillende gemeentelijke verordeningen. Ook de waterschapsbelasting kent een eigen juridisch regime en ziet op verhaal van kosten die het waterschap maakt bij de uitoefening van zijn wettelijke taken. Deze heffingen kunnen naast elkaar bestaan. Verweerder verwijst naar de raadsvoordracht van 20 oktober 1994 waaruit volgt dat de vermakelijkheidsretributie ziet op directe en indirecte gemeentelijke kosten die verband houden met de mogelijkheid voor belastingplichtigen om vermakelijkheden te water te geven. Het is voor de heffing van de vermakelijkheidsretributie verder niet van belang of het gaat om (buitenlandse) toeristen of Amsterdammers. Ten slotte stelt verweerder dat het standpunt van de (rijks)belastingdienst inzake toepassing van het btw-tarief niet afdoet aan de belastingplicht op grond van de Verordening.

    6. De rechtbank stelt vast dat de hoogte van de bestreden naheffingsaanslagen over de jaren 2011 en 2012 niet in geschil is. Partijen verschillen van mening over de vraag of voor de activiteiten van eiseres vermakelijkheidsretributie verschuldigd is.

    7. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van het gerechtshof Amsterdam in de zaak Ocean Diva volgt dat het verblijf aan boord van een al dan niet varend schip op zich reeds een vermakelijkheid vormt. Mede onder verwijzing naar deze uitspraak, is de rechtbank verder van oordeel dat deze vermakelijkheid door eiseres als exploitant van de sloepen bedrijfsmatig wordt gegeven. Aldus is sprake van een belastbaar feit als bedoeld in artikel 2 van de Verordening. Verder volgt uit artikel 3 van de Verordening dat eiseres, als degene die de vermakelijkheid verschaft, organiseert of de gelegenheid daartoe biedt, wordt aangemerkt als belastingplichtige. Eiseres verschaft de vermakelijkheid of biedt daartoe in ieder geval de gelegenheid door de sloepen te verhuren. Dat de sloepen onbemand, zonder schipper worden verhuurd en/of dat geen sprake is van rondvaartboten maakt het vorengaande niet anders. Uit de bepalingen van de Verordening of de toelichting daarbij volgt immers niet dat deze uitsluitend ziet op rondvaartbedrijven of op andere categorieën passagiersvervoer. Ook uit de omstandigheid dat het aantal gebruikers van een sloep volgens eiseres oncontroleerbaar is, volgt niet dat eiseres niet belastingplichtig is conform de Verordening. Overigens dient een huurder bij de reservering aan te geven met hoeveel personen de boot zal worden gebruikt. De hoogte van de opgelegde naheffingsaanslagen is, zoals hiervoor overwogen, ook niet in geschil. Het beroep van eiseres kan in zoverre niet slagen.

    8. Eiseres betwist de verbindendheid van de Verordening. Zij bestrijdt dat verweerder kosten maakt ten behoeve van haar activiteiten. Eiseres betaalt voor alle sloepen binnenhavengelden en leges voor de aanlegsteiger en draagt zo reeds bij aan de kosten die de gemeente maakt voor water-, oever- en kadebeheer. Van overige kosten van verweerder is volgens eiseres geen sprake. Eiseres bespaart de gemeente juist kosten, omdat zij gebruik maakt van sloepen die elektrisch varen en daardoor minder schade veroorzaken. Eiseres heeft in dit verband gewezen op het beleid van verweerder om het delen van boten te stimuleren boven het bezit daarvan.

    9. Volgens verweerder is, onder verwijzing naar de raadsvoordracht van 20 oktober 1994 bij de Vaststelling van de Verordening op de vermakelijkheidsretributie te water, sprake van aanzienlijke kosten van de gemeente, zoals speciaal toezicht, extra baggeren, stadsilluminatie, parkeerplaatsen, extra onderhoud en verfraaiing van openbare ruimte. Verweerder heeft ter zitting gesteld dat de vermakelijkheidsretributie slechts een fractie van deze kosten financiert en daarnaast niet kostendekkend hoeft te zijn.

    10. De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 24 januari 2003 (ECLI:NL:HR:2003:AF3283), dat een gemeente moet aantonen dat zij lasten heeft ter zake van een door de gemeente tot stand gebrachte of in stand gehouden voorziening waarvan een vermakelijkheid profiteert, maar dat zij niet behoeft aan te geven welk bedrag van die lasten is toe te rekenen aan de te belasten vermakelijkheid. Ook voorzieningen van algemene aard kunnen in aanmerking worden genomen, mits de vermakelijkheid daarvan profijt heeft. De rechtbank stelt vast dat door eiseres niet is betwist dat de gemeente kosten maakt die enerzijds specifiek met het gebruik van de waterwegen te maken hebben en anderzijds voorzieningen betreffen die in verband staan met of gemaakt worden mede ten behoeve van het toerisme en waarvan organisatoren van en deelnemers aan vermakelijkheden te water profiteren. Verweerder heeft deze kosten naar het oordeel van de rechtbank in voldoende mate aangetoond. Het beroep van eiseres faalt in zoverre.

    11. De stelling van eiseres dat zij dubbel wordt belast door toepassing van het hoge btw-tarief voor de omzetbelasting staat naar het oordeel van de rechtbank niet aan heffing van de vermakelijkheidsretributie op grond van de Verordening in de weg. De omstandigheid dat de verhuur van een sloep voor de omzetbelasting kennelijk niet is aan te merken als het vervoer van personen per schip als bedoeld in de Wet op de omzetbelasting 1968, heeft dan ook geen gevolgen voor de belastingplicht van eiseres op grond van artikel 3 van de Verordening. Het gaat immers om verschillende wettelijke regimes met andere criteria. Verder heeft de heffing van binnenhavengeld op grond van Binnenhavengeldverordening Pleziervaart betrekking op een ander belastbaar feit dan dat op grond van de Verordening. Hetzelfde geldt voor de heffing van waterschapsbelasting op grond van de Waterschapswet. Deze beroepsgronden van eiseres falen eveneens.”

    6 Beoordeling van het geschil

    6.1.1.

    In hoger beroep heeft belanghebbende – evenals in eerste aanleg – primair het standpunt ingenomen dat zij in de onderhavige jaren niet als belastingplichtige kan worden aangemerkt, aangezien de door haar uitgeoefende activiteiten geen ‘vermakelijkheid’ zijn in de zin van artikel 1, onderdeel a, van de Verordening. Belanghebbende vaart geen passagiers rond in de Amsterdamse wateren; zij stelt alleen de boten ter beschikking aan de huurders, waarna de huurders zelf verantwoordelijk zijn voor hun (vaar)gedrag en zelf bepalen welke route zij zullen varen, waarbij zij er ook voor kunnen kiezen om tevens buiten de Amsterdamse wateren te varen. Van een georganiseerde vaartocht is volgens belanghebbende dan ook geen sprake. Belanghebbende vergelijkt haar dienstverlening met die van een autoverhuurbedrijf. Een dergelijke dienstverlening kan volgens belanghebbende, mede gelet op doel en strekking van de Verordening, niet worden aangemerkt als het ‘bedrijfsmatig geven van een vermakelijkheid’ in de zin van de Verordening.

    6.1.2.

    Voorts heeft belanghebbende gesteld dat, mochten de door haar uitgeoefende activiteiten wél onder het begrip ‘vermakelijkheid’ vallen, in de Verordening ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen de situatie waarin louter sprake is van verhuur van een boot en gevallen waarin passagiers gebruik maken van een bemande rondvaartboot, waardoor ongelijke gevallen gelijk worden behandeld. De vermakelijkheidsretributie dient per persoon te worden geadministreerd; anders dan bij bemande rondvaart, waarbij aan elke passagier een kaartje wordt verkocht, is het voor belanghebbende feitelijk onuitvoerbaar om het aantal gebruikers van een gehuurde sloep te controleren. Weliswaar heeft zij inmiddels noodgedwongen de vermakelijkheidsretributie per boeking in de huurprijs moeten verdisconteren en wordt aan de huurder in het online in te vullen verhuurformulier/contract gevraagd hoeveel personen op de sloep aanwezig zullen zijn, maar zij kan daarop geen controle uitoefenen. De sloepen worden (zie 2.1) door belanghebbende doorgaans op afstand in werking gesteld door middel van een geautomatiseerd systeem, zodat belanghebbende het opgegeven aantal passagiers niet kan controleren. Ook tijdens de vaartocht heeft belanghebbende geen zicht op eventueel in- en uitstappende passagiers. Belanghebbende heeft ook geen verplichting tot het controleren van het aantal met de sloepen varende personen; in de door de gemeente Amsterdam aan belanghebbende afgegeven exploitatievergunning (zie 2.2) worden haar vaartuigen ingedeeld in het segment ‘Onbemand’. Ook om deze reden kan geen vermakelijkheidsretributie worden geheven; de aan haar afgegeven vergunning heeft slechts betrekking op het ter beschikking stellen van een boot aan een huurder. Subsidiair heeft belanghebbende gesteld dat de heffing van vermakelijkheidsretributie in haar geval moet worden beperkt tot de particuliere huurders dan wel beperkt zou moeten worden tot een heffingsmaatstaf van één passagier per (verhuurde) boot.

    6.1.3.

    Voorts heeft belanghebbende – evenals in eerste aanleg – onder meer gesteld dat de sloepen veelal worden gehuurd door inwoners van Amsterdam die voor het onderhoud van de Amsterdamse wateren al worden belast via waterschapsbelasting, waardoor de vermakelijkheidsretributie volgens haar eveneens toepassing mist, dat zij binnenhavengeld betaalt en leges voldoet voor de aanlegsteiger(s), en dat de verhuur van de sloepen voor de heffing van omzetbelasting niet wordt aangemerkt als vervoer van personen per schip.

    6.1.4.

    Tenslotte heeft belanghebbende gesteld dat de wijze waarop de groep belastingplichtigen in de Verordening is afgebakend, strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, onder meer omdat de aankoop van een boot of huur via derden (kennissen/familie/vrienden) geen belastbaar feit vormt voor de vermakelijkheidsretributie en omdat de retributie ten onrechte is beperkt tot het geven van of gelegenheid bieden tot vermakelijkheden te water.

    6.2.

    De heffingsambtenaar heeft deze standpunten van belanghebbende betwist. Indien sprake is van het bedrijfsmatig geven van een vermakelijkheid te water wordt vermakelijkheidsretributie geheven. In het geval van belanghebbende is de vermakelijkheidsretributie dan ook zowel in geval van verhuur aan particulieren als in geval van verhuur aan bedrijven/organisaties verschuldigd. Van een met het gelijkheidsbeginsel strijdige afbakening van de belastingplicht in de Verordening is volgens de heffingsambtenaar geen sprake, waarbij hij heeft gewezen op de blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van de (voorloper van de huidige) Verordening door de gemeentelijke wetgever gemaakte afwegingen. Voor het overige heeft hij zich aangesloten bij de oordelen van de rechtbank.

    6.3.1.

    Evenals de rechtbank is het Hof van oordeel dat, gelet op de ruime definitie van het begrip ‘vermakelijkheid’ in artikel 1, onderdeel a, van de Verordening – “een activiteit waarbij wordt of mede wordt beoogd het publiek amusement, verstrooiing, ontspanning of vermaak te verschaffen of waarbij het publiek dit amusement, deze verstrooiing, deze ontspanning of dit vermaak zoekt, ondergaat, vindt, pleegt te vinden of kan vinden” – het verblijf aan boord van een (al dan niet varend) schip op binnen de gemeente gelegen water op zich reeds een vermakelijkheid vormt in de zin van de Verordening. De omstandigheid dat de huurders zelf hun vaarroute mogen bepalen en ervoor kunnen kiezen om – nadat zij vanaf de aanlegsteiger zijn gestart – deels ook buiten Amsterdamse wateren te varen, doet daar niet aan af. Gelet op het startpunt (en eindpunt) hebben dergelijke huurders immers mede op binnen de gemeente gelegen wateren gevaren, waarmee het belastbare feit van artikel 2 van de Verordening zich heeft voorgedaan, te weten het tegen betaling bedrijfsmatig geven van een vermakelijkheid waarbij gebruik wordt gemaakt van door of met medewerking van het gemeentebestuur tot stand gebrachte of in stand gehouden voorzieningen. Dit belastbare feit doet zich in het geval van belanghebbende zowel bij de verhuur van sloepen aan particulieren als aan organisaties/bedrijven voor.

    6.3.2.

    Voorts is het Hof met de rechtbank van oordeel dat belanghebbende op grond van artikel 3 van de Verordening belastingplichtig is, aangezien zij – als verhuurder van de sloepen – de hiervoor vermelde vermakelijkheid bedrijfsmatig verschaft dan wel (in elk geval) daartoe de gelegenheid biedt; door de verhuur van de sloepen stelt zij de huurders immers in de gelegenheid om met deze vaartuigen op binnen de gemeente gelegen water te varen of te verblijven. Dat de sloepen onbemand, zonder schipper, worden verhuurd en dat de bedrijfsuitoefening van belanghebbende niet kan worden gekwalificeerd als ‘rondvaart’ in de zin van artikel 1, onderdeel c, van de Verordening doet daaraan niet af. Uit de bepalingen van de Verordening (zie bijvoorbeeld artikel 5, tweede lid) en de onder 3.2 vermelde toelichting volgt immers, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, dat deze niet uitsluitend betrekking heeft op rondvaartbedrijven, maar ook op andere wijzen van bedrijfsmatig geven van een vermakelijkheid te water. In de door belanghebbende vermelde uitspraak van het Hof van 25 april 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:CA2689), die overigens betrekking had op een ander feitencomplex en geschil, is (anders dan belanghebbende veronderstelt) niet geoordeeld dat uitsluitend sprake is van belastingplicht in de zin van artikel 3 van de Verordening indien een schipper aan boord is van het vaartuig.

    6.3.3.

    De stelling van belanghebbende dat het aantal passagiers van de sloepen voor haar niet voldoende controleerbaar is alsmede de omstandigheid dat in de door de gemeente afgegeven exploitatievergunning de vaartuigen zijn ingedeeld in de sector ‘Onbemand’, doen niet af aan haar belastingplicht op grond van de Verordening. Overigens stelt het Hof met de rechtbank vast dat een huurder bij de online reservering dient aan te geven met hoeveel personen de boot zal worden gebruikt, dat de heffingsambtenaar heeft verklaard dat het in het geval van belanghebbende mogelijk is vast te stellen hoeveel passagiers gemiddeld per boeking op een sloep aanwezig zijn en dat de hoogte van de opgelegde naheffingsaanslagen niet in geschil is.

    6.3.4.

    De onder 6.1.3 weergegeven standpunten van belanghebbende worden eveneens verworpen. Het Hof verenigt zich met de hierover door de rechtbank (in onderdeel 8 van de haar uitspraak) gegeven beslissingen, evenals met het in onderdeel 10 gegeven oordeel, en maakt de daarvoor gebezigde gronden tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd werpt op deze punten geen nieuw of ander licht op de zaak.

    Ook de stelling van belanghebbende dat, zo er sprake is van belastingplicht, de maatstaf van heffing moet worden beperkt tot één persoon per boeking, wordt verworpen nu in artikel 4 van de Verordening is bepaald dat de rechten worden berekend naar het aantal bezoekers respectievelijk deelnemers aan de vermakelijkheid dan wel het aantal passagiers per rondvaart.

    6.3.5.

    Over de onder 6.1.2. en 6.1.4 weergegeven stelling van belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden, oordeelt het Hof als volgt. Naar het oordeel van het Hof is het op grond van artikel 229 van de Gemeentewet mogelijk om de heffing van de vermakelijkheidsretributie ook van toepassing te verklaren op de verhuur van onbemande vaartuigen en om deze te beperken tot het bedrijfsmatig geven van vermakelijkheden (van een zekere omvang) op binnen de gemeente gelegen voor een ieder toegankelijk water. Gelet op de bij de invoering van de vermakelijkhedenretributie te water door de gemeentelijke wetgever gegeven toelichting op de door hem gemaakte afwegingen, zoals weergegeven onder 3.2, heeft de gemeentelijke wetgever – gelet op de hem te dezen toekomende beoordelingsvrijheid – in redelijkheid tot deze afbakening van het belastbare feit kunnen overgaan. Niet gezegd kan worden, zo de door belanghebbende genoemde gevallen al als gelijke gevallen zijn aan te merken, dat deze afbakening resulteert in een willekeurige en onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de in artikel 229 van de Gemeentewet opgenomen heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad.

    6.4.

    De slotsom van het hiervoor overwogene is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

    8 Beslissing

    Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

    De uitspraak is gedaan door mrs. H.E. Kostense, voorzitter, C.J. Hummel en B.A. van Brummelen, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. A.H. van Dapperen, als griffier. De beslissing is op 3 oktober 2017 in het openbaar uitgesproken.

    Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

    1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

    2. het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

    a. de naam en het adres van de indiener;

    b. een dagtekening;

    c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

    d. de gronden van het beroep in cassatie.

    Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

    In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

    Comments (0)

    Laat een reactie achter

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

    *