Landelijke Vereniging Lokale Belastingen
Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:5510&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Heeft u vragen of opmerkingen?

Je naam (verplicht)

Je e-mail (verplicht)

Onderwerp

Je bericht



Wanneer je dit formulier gebruikt, ga je akkoord met de opslag en verwerking van jouw gegevens door deze website.

Informatie

Wij horen graag van u. Vul het formulier in, dan zullen wij spoedig reageren.

Volg ons overal...

ONS ADRES

Verenigingsbureau LVLB
Stadsplateau 1
3521 AZ Utrecht

Postbus 5150
3502 JD Utrecht

Telefoon: 0183-641070
Email: info@lvlb.nl

ECLI:NL:GHAMS:2017:5510 Gerechtshof Amsterdam, 12-12-2017, 16/00378 ev

ECLI:NL:GHAMS:2017:5510 Gerechtshof Amsterdam, 12-12-2017, 16/00378 ev
7 februari 2018 Verenigingsbureau
Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHAMS:2017:5510&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

4
4. Beoordeling van het geschil

De waarde van de woningen
4.1.1. De rechtbank heeft ter zake van de woningen het volgende overwogen:

“14. Leidraad bij de beoordeling van het geschil is het arrest van de Hoge Raad van 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015:812, BNB 2015/174. In dit arrest heeft de Hoge Raad – voor zover van belang – het volgende overwogen:

“2.3.1. De heffing van inkomstenbelasting over de inkomsten uit sparen en beleggen vindt met ingang van 2001 op forfaitaire wijze plaats in box 3. Bij de bepaling van die inkomsten wordt uitgegaan van een forfaitair rendement van vier percent, berekend over de waarde in het economische verkeer (hierna: WEV) van het positieve saldo van de bezittingen en de schulden. Aanvankelijk werd dit saldo berekend naar het gemiddelde aan het begin en het einde van het kalenderjaar, vanaf 2011 naar het saldo aan het begin van het kalenderjaar. Dit forfaitaire stelsel is naar de opzet van de wetgever ‘robuust’ en daardoor enigszins ruw, aangezien het niet afhankelijk is gesteld van het werkelijke rendement van de bezittingen gedurende het jaar. De wetgever achtte dat uitgangspunt gerechtvaardigd omdat:

“daarmee op een globale maar aanvaardbare wijze zou kunnen worden aangesloten bij de rendementen die belastingplichtigen in de praktijk, indien dit over een langere periode wordt bezien, gemiddeld zouden moeten kunnen behalen zonder dat zij daar (veel) risico voor hoeven te nemen. In zoverre kan derhalve niet worden gesteld dat in het concept van de forfaitaire rendementsheffing geen rekening wordt gehouden met de omvang van de werkelijk genoten inkomsten uit vermogen.”

(Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 7, blz. 263).

2.3.2.

Van dit forfaitaire stelsel kan, gelet op voormelde uitgangspunten, niet worden gezegd dat het elke redelijke grond ontbeert. Gelet op de ruime beoordelingsmarge die de wetgever op het terrein van het belastingrecht toekomt, is dit stelsel niet in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (hierna: het EP) (vgl. HR 28 oktober 2012, nr. 10/03727, ECLI:NL:HR:2011:BR0664, BNB 2011/297). Dit stelsel zou slechts dan in strijd komen met artikel 1 van het EP indien zou komen vast te staan dat het destijds door de wetgever voor een lange reeks van jaren veronderstelde rendement van vier percent voor particuliere beleggers niet meer haalbaar is en belastingplichtigen, mede gelet op het toepasselijke tarief, zouden worden geconfronteerd met een buitensporig zware last. Dit een en ander is in dit geding niet gesteld of gebleken.

Voor het aannemen van een inbreuk op artikel 1 van het EP is niet voldoende dat het rendement van bepaalde bezittingen – zoals in het onderhavige geval onder de huurbescherming vallende verhuurde woningen – structureel blijft beneden vier percent van het daarin geïnvesteerde bedrag, ook niet indien de bezittingen van de belastingplichtige in box 3 vooral uit dergelijke bezittingen bestaan. Daarbij moet ook in aanmerking worden genomen dat een gering beleggingsresultaat van de verhuurde woningen in het algemeen mede tot uitdrukking komt in de WEV van die woningen.

(…)

2.3.7.

Uit de (…) wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever heeft beoogd de werkelijke waarde van verhuurde woningen te benaderen door aan de hand van de huuropbrengst een zogenoemde leegwaarderatio vast te stellen, uitgedrukt in een percentage van de WOZ-waarde. Een dergelijke forfaitaire regeling ter vaststelling van de werkelijke waarde van verhuurde woningen, teneinde duidelijkheid te scheppen “voor de burger en de Belastingdienst over de te hanteren waardering”, is op zichzelf aanvaardbaar. Wanneer echter de uitwerking van dit forfait in het UBIB 2001 leidt tot resultaten die de wetgever met het bepaalde in artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001 niet voor ogen kan hebben gehad, moet die uitwerking buiten toepassing blijven omdat dan de door de wetgever gedelegeerde bevoegdheid is overschreden.

2.3.8.

Bij de beoordeling of zich een dergelijk resultaat voordoet dat de wetgever niet voor ogen kan hebben gehad, heeft het volgende te gelden. Zoals hiervoor in 2.3.1 en 2.3.2 is weergegeven wordt het belastbare inkomen uit sparen en beleggen berekend naar forfaitaire maatstaven, waarbij het aanvaardbaar is dat (i) de WEV als uitgangspunt dient voor de bepaling van een forfaitair rendement van vier percent en ook (ii) dat de WOZ-waarde naar de daarvoor geldende WOZ-waardepeildatum wordt berekend. Ter correctie van deze WOZ-waarde wordt voor de bepaling van de waarde van verhuurde woningen vervolgens nogmaals een forfait toegepast. Aldus is sprake van een stapeling van forfaits. In een geval waarin vast komt te staan dat de uit die stapeling voortvloeiende waardering van verhuurde woningen in betekenende mate, dat wil zeggen voor 10 percent of meer, hoger is dan de werkelijke waarde daarvan, wordt niet voldaan aan de doelstelling van de wetgever, te weten: correctie van de WOZ-waarde opdat rekening wordt gehouden met de waardedrukkende werking van de verhuur. Voor een zodanig geval voldoet de regeling van artikel 17a UBIB 2001 niet aan de opdracht die de wetgever met de delegatiebepaling van artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001 heeft verstrekt aan de besluitgever. Het genoemde artikel 17a moet dan wegens overschrijding van de aan de besluitgever gedelegeerde bevoegdheid buiten toepassing blijven. Dit heeft tot gevolg dat voor de toepassing van artikel 5.20, lid 3, Wet IB 2001 met de waardedruk als gevolg van verhuur van een woning rekening wordt gehouden volgens de hoofdregels van box 3, namelijk door uit te gaan van de werkelijke WEV van de verhuurde woning op de WOZ-waardepeildatum.

2.3.9.

Van de belastingplichtige die zich op onverbindendheid van artikel 17a UBIB 2001 in zijn geval beroept, mag worden verlangd dat hij stelt en in geval van gemotiveerde betwisting door de Inspecteur ook aannemelijk maakt dat de waarde die voortvloeit uit de toepassing van artikel 17a UBIB 2001 in betekenende mate hoger is dan de werkelijke WEV van de woning in verhuurde staat op de WOZ-waardepeildatum.”

15. De Hoge Raad heeft aldus geoordeeld dat het in artikel van de 5.20 van de Wet IB 2001 vervatte stelsel ter bepaling van het inkomen uit verhuurde woningen niet in strijd komt met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, maar dat het mogelijk is dat de uitwerking van het forfait in artikel 17a van het UBIB 2001 kan leiden tot resultaten die de wetgever met het bepaalde in artikel 5.20 van de Wet IB 2001 niet voor ogen kan hebben gehad. In dat geval moet die uitwerking buiten toepassing blijven omdat de door de wetgever gedelegeerde bevoegdheid is overschreden en het in artikel 17a van het UBIB 2001 neergelegde forfait in zoverre niet verbindend is.

16. Gelet hierop dient naar het oordeel van de rechtbank te worden onderzocht of eiseres aannemelijk heeft gemaakt dat de waarden van de woningen die voortvloeien uit de toepassing van het forfaitaire stelsel van artikel 5.20 van de Wet IB 2001 in verbinding met artikel 17a van het UBIB 2001 in betekenende mate (dat wil zeggen 10% of meer) hoger zijn dan de werkelijke waarden in het economische verkeer van de woningen in verhuurde staat op de WOZ-waardepeildatum 1 januari 2009. Is dit het geval, dan dienen bij de berekening van de rendementsgrondslag de waarden van de woningen te worden gesteld op die werkelijke waarden.

17. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding op enigerlei wijze rekening te houden met de inkomsten uit de onroerende zaak [S-weg] . Deze onroerende zaak betreft immers geen woning als bedoeld in artikel 5.20 van de Wet IB 2001. Ook de tekst van artikel 17a van het UBIB 2001 biedt niet de ruimte om die zaak in de overwegingen te betrekken. Het andersluidende standpunt van de verweerder in dezen verwerpt de rechtbank derhalve.

18. Onder verwijzing naar de door haar overgelegde taxatierapporten, stelt eiseres zich op het standpunt dat de waarde in het economische verkeer van de woningen in verhuurde staat op 1 januari 2010 in totaal € 2.080.000 bedraagt. Verweerder heeft in zijn nadere stuk erop gewezen dat niet de waarde van de woningen op 1 januari 2010 maatgevend is, maar die op 1 januari 2009. Daarnaast wijst verweerder erop dat de taxatierapporten van eiseres niet aan de hand van referenties zijn onderbouwd en dat in die rapporten is uitgegaan van een overdrachtsbelastingpercentage van twee, terwijl dat percentage op 1 januari 2010 nog zes bedroeg. Op basis van het door hem ingebrachte taxatierapport concludeert verweerder tot een waarde in het economische verkeer van de woningen van € 2.620.000.

19. Wat betreft de relevante peildatum geldt het volgende. Artikel 5.20, eerste lid, van de Wet IB 2001 bepaalt dat de waarde van een woning wordt gesteld op de voor het kalenderjaar vastgestelde waarde volgens hoofdstuk IV van de Wet WOZ. Die waarde wordt op grond van artikel 22, eerste lid, in verbinding met artikel 18, eerste lid, van de Wet WOZ bepaald naar de waarde van de woning op de peildatum. Die datum ligt op grond van artikel 18, tweede lid, van die wet één jaar voor het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld. Zie in dit verband ook onderdeel 2.3.9 van het zojuist aangehaalde arrest van de Hoge Raad waaruit volgt dat de waarde in het economische verkeer op de peildatum maatgevend is en niet de waarde in het economische verkeer in het desbetreffende belastingjaar. Derhalve is de relevante peildatum in dit geval 1 januari 2009 en niet 1 januari 2010, zoals eiseres gelet op de door haar ingebrachte rapporten kennelijk tot uitgangspunt neemt en ook subsidiair betoogt. Dit geldt evenzeer voor zover eiseres zich – voor haar subsidiaire standpunt – baseert op de waarde per 31 december 2010.

20. Hoewel verweerder terecht stelt dat de relevante peildatum 1 januari 2009 is, wordt in het door hem ingebrachte taxatierapport niettemin ook uitgegaan van de peildatum 1 januari 2010. Dit is in overeenstemming met verweerders taxatieverzoek van 30 september 2015, waarin hij de taxateur verzoekt de waarde van de woningen te bepalen naar de toestand op 1 januari 2010. De door verweerder ingeschakelde taxateur komt in zijn rapport tot de conclusie dat de waarde in het economische verkeer van de woningen op die datum € 2.620.000 bedraagt. Aldus neemt geen van de door partijen ingebrachte taxatierapporten de juiste peildatum (1 januari 2009) tot uitgangspunt. Dit brengt de rechtbank tot het volgende.

21. Uit de door partijen ingebrachte stukken blijkt dat de WOZ-waarde van elk van de woningen op 1 januari 2010 lager was dan die op 1 januari 2009 (zie onder meer pagina 8 van bijlage 1 van het nadere stuk van eiseres van 31 augustus 2015). Nu – kort gezegd – de WOZ-waarde van een woning moet worden geacht de waarde in het economische verkeer van die woning op het desbetreffende tijdstip te weerspiegelen, kan er, bij gebreke aan aanwijzingen voor het tegendeel, naar het oordeel van de rechtbank van worden uitgegaan dat de waarde in het economische verkeer van de woningen op 1 januari 2010 lager was dan die op 1 januari 2009. De rechtbank zal het standpunt van verweerder dan ook aldus opvatten dat moet worden uitgegaan van een waarde in het economische verkeer van de woningen op 1 januari 2009 van € 2.620.000. Nu hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd de rechtbank onvoldoende handvatten biedt om een oordeel te geven over de waarde in het economische verkeer van de woningen op 1 januari 2009, komt het risico dat die waarde op dat tijdstip hoger was dan op 1 januari 2010 voor rekening van verweerder. Verweerder zelf heeft immers steeds erop gewezen dat in dezen van de peildatum 1 januari 2009 moet worden uitgegaan, zodat hij bij kennisneming van het op zijn verzoek opgestelde taxatierapport had kunnen onderkennen dat het rapport op het hier aan de orde zijnde punt niet juist is.

22. De rechtbank neemt deze waarde van € 2.620.000 tot uitgangspunt. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het taxatierapport van verweerder mede is onderbouwd met verwijzingen naar zogenoemde referenties (waarvan het merendeel verkopen, althans leveringen, betreft van woonappartementen gedurende 2009) en het rapport op dat punt door eiseres onvoldoende gemotiveerd is weersproken. De door eiseres ingebrachte taxatierapporten ontberen dergelijke referenties en zijn enkel gegrond op het bruto aanvangsrendement. Voorts gaan de rapporten van eiseres ten onrechte niet uit van een toepasselijk overdrachtsbelastingtarief van 6%; het tarief van 2%, waarvan in die rapporten wordt uitgegaan, is eerst in 2011 ingevoerd. Dit een en ander voert de rechtbank tot de conclusie dat de door eiseres ingebrachte taxatierapporten niet kunnen dienen als een betrouwbare waardering van de woningen.

23. De totale waarde van de woningen berekend op basis van de vastgestelde WOZ-waarden met toepassing van de leegwaarderatio bedraagt € 4.380.977. Nu deze waarde in betekenende mate hoger is dan de werkelijke waarde in het economische verkeer van de woningen in verhuurde staat (namelijk € 2.620.000), had bij het bepalen van de rendementsgrondslag van deze lagere waarde moeten worden uitgegaan in plaats van een waarde van € 4.380.977.”

4.1.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende – onder verwijzing naar een nadere taxatie van mr. Krabbe R(M)T en een (nadere) taxatie van Van Keller, als vermeld onder 2.7 en 2.8 – gesteld dat de waarde van de woningen € 1.525.000 bedraagt. De inspecteur heeft voor de woningen de waarde gehandhaafd die hij heeft onderbouwd met het in eerste aanleg overgelegde taxatierapport (uitspraak rechtbank onder 8).

4.1.3.

Met inachtneming van het arrest HR 3 april 2015, nr. 13/04247, ECLI:NL:HR:2015: 812, BNB 2015/174, stelt het Hof – evenals de rechtbank (uitspraak rechtbank onder 16) – voorop dat belanghebbende, in geval van gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aannemelijk dient te maken dat de waarde van de woningen die voortvloeit uit toepassing van artikel 17a UBIB 2001 in betekenende mate hoger is dan de (werkelijke) WEV van de woningen in verhuurde staat op de WOZ-waardepeildatum.
Dat op de peildatum de waarde van de woningen die voortvloeit uit toepassing van artikel 17a UBIB 2001 in betekende mate hoger is dan de WEV van de woningen in verhuurde staat is tussen partijen niet in geschil, omdat de WEV volgens de inspecteur € 2.620.000 bedraagt en deze volgens belanghebbende lager is.
De hiervoor aan het arrest BNB 2015/174 ontleende bewijsoverweging betekent tevens dat voor zover de WEV van de woningen lager is dan – in dit geval – € 2.620.000, van belanghebbende mag worden verlangd dat zij die stelling aannemelijk maakt.

4.1.4.

De door belanghebbende overgelegde taxatierapporten bevatten – anders dan dat van de zijde van de Belastingdienst – geen referenties ter onderbouwing van het gehanteerde netto/bruto aanvangsrendement. Ter onderbouwing van het rapport van mr. Krabbe R(M)T, als vermeld onder 2.7, is verwezen naar blz. 10 van de ‘Taxatiewijzer en kengetallen’ van 17 april 2009 van de VNG. De in dit rapport vermelde rendementsgegevens betreffen landelijke gemiddelden voor kantoren, woningen en winkels. Niet aannemelijk is dat deze gegevens representatief zijn voor de woningen; het Hof acht deze gegevens althans (aanzienlijk) minder representatief voor de woningen dan de verkoopgegevens van vergelijkbare woningen waarop de taxatie van de Belastingdienst mede is gebaseerd.
Hetzelfde geldt voor het rendementsgegeven dat is ontleend aan een rapport van DTZ Zadelhoff van oktober 2010. Van de in dit rapport vermelde bruto aanvangsrendementen – onderverdeeld in Nederland: Noord, Oost, Zuid en West – is evenmin aannemelijk geworden dat deze representatief zijn voor de woningen van belanghebbende.

4.1.5.

Ook voor de nadere waardering van de woningen door Van Keller geldt dat deze is gebaseerd op een rendementsgegeven dat onvoldoende is onderbouwd. Ook op grond daarvan is niet aannemelijk te achten dat de op gegevens van gerealiseerde verkopen van vergelijkbare panden rond de peildatum gebaseerde taxatie van de Belastingdienst te hoog zou zijn, ook al is in de nadere taxatie van Van Keller wel uitgegaan van 6% als tarief overdrachtsbelasting.

4.1.6.

Naar het oordeel van het Hof heeft de inspecteur met de onder 2.6 vermelde vergelijkingspanden voldoende aannemelijk gemaakt dat de WEV van de woningen niet lager is dan € 2.620.000, ook als van die objecten een niet in [wijk] gelegen object ( [adres] ) en drie objecten (de onderste drie in de onder 2.6 opgenomen tabel, waarvan – gegeven een geringe bandbreedte – de omvang te veel afwijkt van die van de woningen) buiten aanmerking worden gelaten. Door hierbij uit te gaan van vergelijkingsobjecten in [wijk] kan worden voorbijgegaan aan de invloed van de door partijen betwiste splitsbaarheid van de woningen: volgens belanghebbende zijn woningen in [wijk] niet splitsbaar (onder verwijzing naar hetgeen is vermeld onder 2.9) en volgens de taxateur wordt met de mogelijkheid van splitsbaarheid op termijn ook bij transacties in [wijk] in de prijsstelling rekening gehouden. Indien waar is wat belanghebbende op dit punt stelt, dan is, door vergelijkingsobjecten in [wijk] te gebruiken, met de gestelde niet-splitsbaarheid rekening gehouden; indien waar is wat de taxateur heeft gesteld, dan mag ervan worden uitgegaan dat het desbetreffende effect op de waarde in de prijzen van de vergelijkingsobjecten is verdisconteerd.

4.1.7.

Het Hof gaat voorbij aan de klacht van belanghebbende dat de taxateur van de Belastingdienst niet gekwalificeerd is voor het taxeren van woningen, omdat hij niet zou zijn ingeschreven bij de ‘specialistenkamer wonen’ van het Nederlands register van vastgoedtaxateurs. Nog daargelaten dat de inspecteur de door belanghebbende gestelde indeling van soorten van bij het Nederlands register van vastgoedtaxateurs (NRVT) heeft betwist, baseert het Hof zijn oordeel over de bewijskracht van de door de Belastingdienst overgelegde taxatie in de onderhavige zaak uitsluitend op de inhoud daarvan en laat het daarbij in het midden of Kok RT volledig over de door belanghebbende gestelde voor het taxeren van woningen vereiste beroepskwalificatie, beschikt.
Formele kwesties betreffende het winkelpand
4.2.1. Met betrekking tot de vraag of ter zake van het winkelpand een hogere waarde in aanmerking kan worden genomen dan de waarde van € 1.273.000 die in de aangifte is vermeld zijn diverse formele kwesties gerezen. De rechtbank heeft in dit verband het volgende overwogen.

Interne compensatie

24. In zijn nadere stuk van 3 juni 2016, dat bij de rechtbank is ingekomen op 6 juni 2016, doet verweerder een beroep op interne compensatie. Ter onderbouwing van dat beroep voert verweerder onder verwijzing naar een ingebracht taxatierapport aan dat het object [S-weg] bij de bepaling van het inkomen uit sparen en beleggen voor een te laag bedrag in aanmerking is genomen.

25. Bij de beantwoording van de vraag of dit stuk in zoverre in de procedure dient te worden toegelaten, dient binnen het kader van een goede procesorde te worden afgewogen het belang dat verweerder heeft bij het overleggen van dit stuk en de reden waarom verweerder het stuk niet in een eerdere fase van de procedure heeft ingebracht enerzijds, en anderzijds het algemeen belang van een doelmatige procesgang (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/05192, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207).

26. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder met zijn beroep op interne compensatie de rechtsstrijd zoals deze zich tot de tweede zitting heeft ontwikkeld, uitgebreid. Nu een beoordeling van het door verweerder gedane beroep op interne compensatie een nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden (in het bijzonder de waarde in het economische verkeer van het object [S-weg] ) zou vergen, kon van eiseres in redelijkheid niet worden verlangd dat zij op dit beroep binnen de haar toegemeten tijd gemotiveerd zou reageren. Het stuk van verweerder is immers pas op de negende dag voor de zitting door de rechtbank ontvangen en op die dag doorgestuurd naar eiseres. Voorts valt niet in te zien waarom verweerder zijn stelling niet eerder heeft aangevoerd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat (i) het eerste onderzoek ter zitting al bijna twee jaar eerder (namelijk op 28 augustus 2014) heeft plaatsgevonden, (ii) de zaak destijds enkel is aangehouden in afwachting van de uitkomst van de procedure die heeft geleid tot het arrest van de Hoge Raad van 24 april 2015, nr. 14/01504, ECLI:NL:HR:2015:1171, BNB 2015/175, (iii) partijen door de rechtbank bij brief van 15 juni 2015 in de gelegenheid zijn gesteld om op dit arrest te reageren, (iv) het laatste van eiseres afkomstige stuk reeds van 31 augustus 2015 dateert en (v) verweerder voor het doen van een beroep op interne compensatie zo kort voor de tweede zitting desgevraagd geen andere verklaring kon geven dan de drukke werkzaamheden van hemzelf en de taxateur. Onder deze omstandigheden leidt de hiervoor onder 25 bedoelde afweging ertoe dat het naar het oordeel van de rechtbank niet in overeenstemming is met een goede procesorde wanneer het beroep van verweerder op interne compensatie wordt toegelaten. Daarbij zij erop gewezen dat een inhoudelijke behandeling van dat beroep ertoe zou nopen dat eiseres in de gelegenheid wordt gesteld daarop inhoudelijk te reageren. Dit zou noodzakelijkerwijs tot een verlenging van de procedure aanleiding geven, hetgeen, mede in het licht van de zojuist geschetste gang van zaken, niet in het belang is van een doelmatige procesgang. De rechtbank beschouwt het beroep van verweerder op interne compensatie derhalve als tardief.”

4.2.2.

In hoger beroep heeft belanghebbende terecht gesteld dat zij door het instellen van beroep niet in een slechtere positie kan komen dan wanneer zij geen beroep bij de rechtbank zou hebben ingesteld (reformatio in peius). Deze regel dient echter – anders dan belanghebbende veronderstelt – niet te worden toegepast op afzonderlijke elementen van de aanslag, zoals de waarde van het winkelpand als onderdeel van de grondslag van box 3, maar op de aanslag in zijn geheel. Het oordeel van het Hof kan derhalve niet tot een hogere aanslag leiden dan die welke bij de uitspraak op bezwaar is gehandhaafd.

4.2.3.

Voorts heeft belanghebbende gesteld dat de inspecteur de stelling dat de waarde van het winkelpand hoger is dan de waarde die in de aangifte is vermeld ondubbelzinnig heeft prijsgegeven. Naar het oordeel van het Hof bieden de stukken van het geding echter geen steun aan deze stelling. Voor zover belanghebbende ook in hoger beroep stelt dat een beroep van de inspecteur op interne compensatie – kort gezegd: een hogere waarde van het winkelpand in plaats van een lagere waarde van de woningen – niet is toegestaan, in het bijzonder omdat dit in strijd zou zijn met een behoorlijke procesorde, verwerpt het Hof ook deze formele grief, omdat belanghebbende in hoger beroep voldoende gelegenheid heeft gehad zich tegen het desbetreffende standpunt van de inspecteur te verweren en dat standpunt ook overigens niet in strijd komt met enig beginsel van behoorlijk bestuur.
In het bijzonder is niet aannemelijk geworden dat de inspecteur ter zake van de waarde van het winkelpand gebonden zou zijn aan een bewuste standpuntbepaling in het verleden dan wel aan een redelijkerwijs bij belanghebbende gevestigde indruk daarvan. Een dergelijke indruk volgt niet uit de vermelding van de WOZ-waarde van het winkelpand in de aangifte IB/PVV 2010 en het aanvankelijk volgen van die aangifte.
Het heeft de inspecteur derhalve vrijgestaan de hogere waarde van het winkelpand in hoger beroep opnieuw aan de orde te stellen. Daarbij rust op hem de bewijslast dat de WEV van het winkelpand hoger is dan de (WOZ-)waarde die in de aangifte is vermeld.

De waarde van het winkelpand
4.3.1. De inspecteur heeft gesteld dat het winkelpand per 1 januari 2010 € 2.820.000 bedraagt en baseert zich daarvoor op het taxatierapport van 1 juni 2016.

4.3.2.

Bij verweer in hoger beroep heeft belanghebbende verzocht in de gelegenheid te worden gesteld een taxatie van het winkelpand te overleggen. Op dit punt verwijst belanghebbende nader naar het oordeel van mr. Kelderman, als vermeld onder 2.11.

4.3.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de waarde per 31 december 2010 gelijk is aan die per 1 januari 2010. Het Hof zal derhalve uitgaan van de waarde per 1 januari 2010, als waarvan ook de taxatie van de Belastingdienst is uitgegaan. De waardering van mr. Kelderman RT is in dit opzicht niet geschikt, omdat deze – ten onrechte – is gebaseerd op een peildatum van 1 januari 2009. Voorts acht het Hof de waardering van mr. Kelderman RT niet geschikt, omdat diverse premissen, waaronder die van het gehanteerde Bruto aanvangsrendement van 6,59%, niet dan wel onvoldoende zijn onderbouwd.
Voorts is deze waardering niet onderbouwd met gegevens van vergelijkbare objecten (supermarkten). In het advies van de Bedrijfshuuradviescommissie (BHAC) – waarnaar in de waardering van mr. Kelderman RT mede wordt verwezen –, wordt onvoldoende uitgegaan van referenties in het [wijk] , waardoor aannemelijk is dat dit advies een te lage herzieningshuurprijs aangeeft. Voorts acht het Hof aannemelijk dat het BAR van de door de BHAC genoemde objecten ( [adres] ), zoals Kok RT in zijn reactie heeft gesteld, varieert van 5 tot 5,5%. Dit laatste bevestigt eerder het door de Belastingdienst gehanteerde BAR dan dat van mr. Kelderman RT. Weliswaar zijn de BAR-waarden van objecten die zijn vermeld in een ter zitting van het Hof overgelegd nader stuk van mr. Kelderman RT hoger, maar voor deze waarden geldt dat ze – naar het Hof begrijpt – geen betrekking hebben op supermarkten (en daarom minder goed vergelijkbaar zijn te achten) en dat de berekening van de BAR van die objecten vragen opriep (door gemachtigde beantwoord met verwijzing naar het Fingerspitzengefühl van mr. Kelderman RT).
Van belang is voorts dat de taxatie van de Belastingdienst mede is gebaseerd op concrete huurgegevens van voldoende vergelijkbare objecten en van een verkoopgegeven van een eveneens voldoende vergelijkbaar object in [wijk] . Dat dit gegeven van medio 2008 dateert acht het Hof, gegeven de omstandigheid dat verkopen van een door [naam] gehuurd pand vermoedelijk niet heel frequent voorkomen, aanvaardbaar. In dit verband heeft de taxateur van de Belastingdienst, gelet op de locaties van de vergelijkingsobjecten in relatie tot het in [wijk] gelegen winkelpand, terecht een bovenwaartse correctie toegepast voor de ligging van dat winkelpand.
Concluderend, acht het Hof ter zake van het winkelpand een waarde van € 2.820.000 aannemelijk.

Artikel 1 Eerste Protocol EVRM (artikel 1 EP)
4.5.1. Ter zitting heeft belanghebbende desgevraagd verklaard dat zij het beroep op schending van artikel 1 EP handhaaft, met dien verstande dat de belasting over het inkomen uit sparen en beleggen die zij verschuldigd is indien het standpunt van de inspecteur (dan wel – zo begrijpt het Hof – de onderhavige uitspraak) wordt gevolgd, voor haar een individuele en buitensporige last vormt. De inspecteur heeft deze stelling betwist.

4.5.2.

Bij de beoordeling van de vraag of zich ten aanzien van belanghebbenden een individuele en buitensporige last voordoet geldt dat een dergelijke situatie zich alleen voordoet indien en voor zover de gestelde last zich ten aanzien van de desbetreffende belanghebbende sterker laat gevoelen dan dat in het algemeen het geval is. Een dergelijke situatie kan zich ten aanzien van die belanghebbende alleen voordoen als bijzondere, niet voor alle – zich in vergelijkbare omstandigheden bevindende – verhuurders geldende, feiten en omstandigheden (voor haar) een individuele (en buitensporige) last teweegbrengen (verg. HR 17 maart 2017, nr. 15/04164, ECLI:NL:HR:2017:442, BNB 2017/115). Indien dit het geval is, staat daarmee overigens nog niet vast dat ook sprake is van een buitensporige last.

4.5.3.

Daarvan uitgaande dient bij de vraag of een individuele en buitensporige last aanwezig is niet alleen te worden gekeken naar de verhouding tussen de heffing van inkomen uit sparen en beleggen bij belanghebbenden en anderen die zich in een vergelijkbare positie bevinden, maar tevens naar die heffing bezien in relatie tot het totale resultaat van belanghebbende uit hoofde van haar bezit in de woningen en het winkelpand, inclusief de waardestijging van die bezittingen. In beide opzichten rust op belanghebbende de bewijslast. Hiervan uitgaande heeft belanghebbende naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt dat zich bij haar ten gevolge van de box 3-heffing over de woningen en het winkelpand een individuele en buitensporige last voordoet als bedoeld in artikel 1 EP.

Vergoeding van immateriële schade
5.1.1. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof gesteld dat wegens overschrijding van de redelijke termijn bij de behandeling van het bezwaar en (hoger) beroep tegen de aanslag een vergoeding van immateriële schade verschuldigd is. De inspecteur heeft tegen deze stelling geen specifiek verweer gevoerd.

5.1.2.

Vaststaat dat het bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2010 op 10 oktober 2011 bij de inspecteur is ingekomen. Deze datum geldt als aanvangstijdstip van de redelijke termijn. Vanaf dit tijdstip is tot 27 juli 2016, de dag waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan, – naar boven afgerond – ruim 4 jaar en tien maanden (= 58 maanden) verstreken. Nu de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase 24 maanden bedraagt, is de redelijke termijn in beginsel met 34 maanden overschreden.

5.1.3.

Op deze periode dient een periode in mindering te komen gedurende welke, met (uitdrukkelijke) instemming van belanghebbende, is gewacht op het – op 3 april gewezen – arrest BNB 2015/174. Deze periode is blijkens het proces-verbaal van de desbetreffende zitting van de rechtbank op 28 augustus 2014 aangevangen. Na evenvermeld arrest zijn partijen door de rechtbank in de gelegenheid gesteld om zich over het arrest uit te laten. Belanghebbende heeft dat gedaan bij brief van 31 augustus 2015. Naar het Hof begrijpt heeft het afwachten van het arrest in samenhang met de reacties van partijen tot een nadere zitting geleid. In verband met appointeren van de nadere zitting is – schattenderwijs – nog eens twee maanden toe te rekenen aan het afwachten van het arrest. Dit brengt het aantal maanden dat op de onder 5.1.2 vermelde periode in mindering moet worden gebracht op 14 maanden.
In deze vermindering acht het Hof een verlenging van de redelijke termijn in verband met de complexiteit van de onderhavige zaak verdisconteerd. De overschrijding van de redelijke termijn voor de bezwaar- en beroepsfase bedraagt aldus (34 minus 14 =) 20 maanden.

5.1.4.

Op deze periode zal het Hof in mindering brengen het aantal maanden dat het Hof eerder uitspraak doet dan de voor de behandeling van het hoger beroep in beginsel in aanmerking te nemen termijn van twee jaren, na 5 september 2016, de datum van ontvangst van het hoger beroep. Nu het Hof in deze zaak op 6 december 2017 uitspraak doet, zal het Hof op de hiervoor vermelde termijn van 20 maanden – en uitgaande van een redelijke termijn voor de hogerberoepsfase van 24 maanden – een periode van afgerond 9 maanden in mindering brengen. Dit brengt de overschrijding van de redelijke termijn op een periode van 11 maanden. Afgerond naar boven zijn dit twee periodes van een half jaar.
De schadevergoeding per half jaar bedraagt € 500, zodat deze in totaal € 1.000 bedraagt.

5.1.5.

Van de overschrijding van de redelijke termijn met 20 maanden – vóór de vermindering van r.o. 5.1.4 – zijn, gelet op het tijdstip waarop uitspraak op bezwaar is gedaan, te weten 22 oktober 2013, (afgerond) 18 maanden toe te rekenen aan de bezwaarfase en (afgerond) twee maanden aan de beroepsfase. Indien vervolgens de onder 5.1.4 vermelde periode van 9 maanden pro rata aan de beroepsfase wordt toegerekend, leidt dit ertoe dat de overschrijding van de redelijke termijn met 11 maanden volledig aan de bezwaarfase moet worden toegerekend. Dit betekent dat de inspecteur zal worden veroordeeld vergoeding van immateriële schade van € 1.000 te vergoeden.

6.1.

De rendementsgrondslag waarover het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is berekend, dient ter zake van de woningen te worden verminderd met een bedrag van
(€ 4.380.977 minus € 2.620.000 =) € 1.760.977. Ter zake van het bedrijfspand dient de rendementsgrondslag te worden verhoogd met (€ 2.820.000 minus € 1.273.000 =)
€ 1.547.000. Per saldo leidt dit tot een vermindering van de rendementsgrondslag met een bedrag van (€ 1.760.977 minus € 1.547.000 =) € 213.977. Het belastbare inkomen uit sparen en beleggen bedraagt dan € 258.945 minus (4% van € 213.977=) € 8.560, derhalve
€ 250.385. Aangezien het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen lager is dan bij uitspraak op bezwaar is vastgesteld, is het beroep gegrond.

6.2.

Het hoger beroep van de inspecteur is gegrond, nu het oordeel van het Hof tot een hoger belastbaar inkomen uit sparen en beleggen leidt dan door de rechtbank is vastgesteld.

Het hoger beroep van belanghebbende is gegrond voor zover de rechtbank heeft verzuimd haar een vergoeding van immateriële schade toe te kennen.

6.3.

Een en ander leidt er toe dat de uitspraak op bezwaar en de uitspraak van de rechtbank moeten worden vernietigd en dat het Hof het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen zal vaststellen op € 250.385.

Vergoeding van proceskosten
7.2.1. Het Hof ziet geen reden af te wijken van de door de rechtbank vastgestelde proceskostenvergoeding. Weliswaar heeft de rechtbank voor de wegingsfactor ook kunnen uitgaan van een waarde van 1,5, maar de wegingsfactor 1 die de rechtbank heeft toegepast acht het Hof niet onredelijk. Het Hof zal daar dan ook niet in treden en verwerpt derhalve de op dit punt door belanghebbende aangevoerde grief. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen griffierecht heeft vergoed, verwerpt het Hof deze grief bij het ontbreken van een feitelijke grondslag.

7.2.2.

Ofschoon het door belanghebbende ingestelde hoger beroep op zichzelf niet leidt tot een gegrond hoger beroep ziet het Hof reeds in de omstandigheid dat een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt toegekend reden om het griffierecht en de voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten te vergoeden.

7.2.3.

Aangezien het beroep en het hoger beroep gegrond zijn, zijn termen aanwezig voor een veroordeling van de inspecteur op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in de proceskosten die belanghebbende voor de behandeling van haar beroep en hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Voor vergoeding komen in aanmerking de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (het Besluit) stelt het Hof het bedrag van de voor vergoeding in aanmerking komende kosten overeenkomstig het in de bijlage van het Besluit opgenomen tarief vast op: 2,5 (hogerberoepschrift, verweerschrift in hoger beroep, verschijnen ter zitting in hoger beroep) x 1,5 (wegingsfactor) x € 495 = € 1.856,25.

Comments (0)

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*