Landelijke Vereniging Lokale Belastingen
Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:4203&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Heeft u vragen of opmerkingen?

Je naam (verplicht)

Je e-mail (verplicht)

Onderwerp

Je bericht



Wanneer je dit formulier gebruikt, ga je akkoord met de opslag en verwerking van jouw gegevens door deze website.

Informatie

Wij horen graag van u. Vul het formulier in, dan zullen wij spoedig reageren.

Volg ons overal...

ONS ADRES

Verenigingsbureau LVLB
Stadsplateau 1
3521 AZ Utrecht

Postbus 5150
3502 JD Utrecht

Telefoon: 0183-641070
Email: info@lvlb.nl

ECLI:NL:GHDHA:2017:4203 Gerechtshof Den Haag, 08-12-2017, BK-17/00442

ECLI:NL:GHDHA:2017:4203 Gerechtshof Den Haag, 08-12-2017, BK-17/00442
29 mei 2018 Verenigingsbureau
Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2017:4203&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Feiten

2.1.

Belanghebbende exploiteert een advocatenpraktijk en is ondernemer voor de heffing van de omzetbelasting.

2.2.

Bij belanghebbende heeft een boekenonderzoek plaatsgevonden. Het onderzoek is begonnen op 10 december 2013 en het controlerapport is opgesteld op 19 maart 2015. Bij het boekenonderzoek is de aanvaardbaarheid bezien van de aangiften omzetbelasting met betrekking tot de prestaties van de advocatenpraktijk, over de tijdvakken van 2008 tot en met 31 juli 2011. De door belanghebbende bij het onderzoek overgelegde debiteurenoverzichten en het kasboek vertonen een in 2008 gerealiseerde omzet (inclusief omzetbelasting) van € 1.050.256,76 (omzet Raad voor de Rechtsbijstand: € 547.886,58, omzet gewone debiteuren: € 451.822,21 en kasontvangsten € 50.547,97).

2.3.

In afwachting van de definitieve uitkomsten van het boekenonderzoek heeft de Inspecteur met dagtekening 24 december 2013, ter behoud van rechten, de naheffingsaanslag opgelegd. De naheffingsaanslag is gebaseerd op van belanghebbende zelf afkomstige bij het boekenonderzoek verstrekte boekhoudkundige gegevens en cijfers, die door de Inspecteur ter controle zijn afgezet tegen de netto omzet van € 809.181 zoals die blijkt uit belanghebbendes aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 2008. Belanghebbende heeft op de periodieke aangiften omzetbelasting voor het jaar 2008 in totaal een omzet verantwoord van € 389.811. Aan omzetbelasting is op de aangiften € 3.127 voldaan. Bij het vaststellen van de naheffing heeft de Inspecteur rekening gehouden met de al bij wijze van zo te noemen systeemaanslagen nageheven belastingbedragen die resulteren uit de aangiften en niet zijn voldaan.

2.4.

In het controlerapport is vermeld:

“(…)

4. Omzet en omzetbelasting

Wij hebben de omzet vastgesteld aan de hand van de door dhr. [X] digitaal overgelegde debiteuren overzichten en het kasboek. Zoals al vermeld heeft dhr. [X] meestal de omzetbelasting wegens de diensten verricht aan de Raad van Rechtsbijstand niet in rekening gebracht. De aangegeven omzet in de debiteuren overzichten is daarom inclusief omzetbelasting. Uit deze administratie blijkt de volgende omzet inclusief Omzetbelasting:

“Jaar 2008

Omzet Raad van Rechtsbijstand € 547.886,58

Omzet ‘gewone’ debiteuren € 451.822,21

Omzet kasontvangsten € 50.547,97

Totale ontvangsten inclusief OB € 1.050.256,76

Te betalen OB 19/119 x 1.050.256,76 € 167.688,-

Te verlenen voorbelasting € 31.723,-

Af te dragen omzetbelasting € 135.965,-

Reeds afgedragen € 3.127,-

Reeds nageheven € 145.417,-

Nog corrigeren -/- € 12.579,- “

De Rechtbank

3. De Rechtbank heeft overwogen:

6. In geschil is de hoogte van de naheffingsaanslag. Het geschil spitst zich toe op de hoogte van de door [belanghebbende] behaalde omzet.

7. [ Belanghebbende] stelt dat de door [de Inspecteur] vastgestelde omzet onjuist is, omdat bij de controle niet is uitgegaan van zijn financiële administratie. [Belanghebbende] heeft ter zitting verzocht de zaak aan te houden en gesteld dat [de Inspecteur] niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken heeft overgelegd.

8. [ De Inspecteur] stelt dat de naheffingsaanslag niet op een te hoog bedrag is vastgesteld en is gebaseerd op door [belanghebbende] verstrekte gegevens. In het verweerschrift heeft hij zich nader op het standpunt gesteld dat in de omzet ten onrechte een bedrag aan doorlopende kosten, bestaande uit griffierechten en leges, is begrepen van € 28.989. Om die reden concludeert [de Inspecteur] tot gegrondverklaring van het beroep.

Beoordeling van het geschil

Aanhouden van de behandeling van het beroep

9. Voor deze zaak was de mondelinge behandeling aanvankelijk bepaald op 11 januari 2017. Op verzoek van de gemachtigde is de behandeling toen uitgesteld omdat hij die dag verhinderd was. Gemachtigde heeft een veelheid aan verhinderdata en verhindertijdstippen opgegeven. Bij het vaststellen van onderhavige zittingsdatum en zittingstijdstip is daarmee rekening gehouden. Een volgend verzoek van de gemachtigde om uitstel van de zitting is daarom afgewezen.

10. Ter zitting heeft [belanghebbende] verzocht de behandeling aan te houden, teneinde hem de gelegenheid te geven een verbeterde administratie aan [de Inspecteur] over te leggen. Hij heeft aangevoerd dat hij in het kader van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen aanslagen voor latere jaren met [de Inspecteur] een afspraak heeft begin maart 2017 waarbij tevens de administratie aan de orde is.

11. [ Belanghebbende] heeft reeds in zijn aanvulling op het bezwaarschrift van 15 februari 2014 meegedeeld dat hij de administratie opnieuw zou opzetten, dit heeft hij herhaald in zijn e-mail aan [de Inspecteur] van 14 oktober 2014. Gezien het feit dat de uitspraak op bezwaar is gedaan op 29 april 2016 heeft [belanghebbende] zowel daarvoor als daarna ruim voldoende de tijd gehad aan dat voornemen uitvoering te geven. Ook tijdens de controle is [belanghebbende] in de gelegenheid gesteld nader inzicht te verschaffen. Gezien het voorgaande acht de rechtbank het in strijd met de goede procesorde om de behandeling van het beroep aan te houden enkel om [belanghebbende] alsnog de gelegenheid te geven een verbeterde administratie over te leggen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [de Inspecteur] heeft verklaard dat onderhavige naheffingsaanslag geen onderdeel uitmaakt van het gesprek dat begin maart 2017 zal plaatsvinden.

Op de zaak betrekking hebbende stukken

12. [ Belanghebbende] heeft ter zitting gesteld dat [de Inspecteur] ten onrechte een door de FIOD opgemaakt rapport niet heeft overgelegd dat ten grondslag heeft gelegen aan onderhavige naheffingsaanslag. Volgens [belanghebbende] bevat dat FIOD rapport informatie over onderhavig jaar en zou hieruit kunnen volgen dat de naheffingsaanslag op een te hoog bedrag is vastgesteld. [Belanghebbende] beschikt over het FIOD rapport en heeft ter zitting, citerend uit dat rapport, verklaard dat dit is opgesteld naar aanleiding van het boekenonderzoek dat heeft plaatsgevonden bij [belanghebbende]. [De Inspecteur] heeft ter zitting verklaard pas kort voor de zitting bekend te zijn geworden met het bestaan van het FIOD-rapport en dat de naheffingsaanslag niet daarop is gebaseerd.

13. [ De Inspecteur] is op grond van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verplicht de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe te zenden. Hieronder moet worden verstaan alle stukken die relevant zijn voor de beslissing van de rechtbank en die een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de inspecteur. Gezien het feit dat de naheffingsaanslag is opgelegd ruim voordat het controlerapport is opgemaakt en is gebaseerd op de gegevens uit de aangiften inkomstenbelasting en omzetbelasting van [belanghebbende], acht de rechtbank de verklaring van [de Inspecteur] dat het FIOD-rapport bij zijn besluitvorming over onderhavige naheffingsaanslag geen rol heeft gespeeld, aannemelijk. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het FIOD rapport volgens [belanghebbende] is opgemaakt naar aanleiding van de controle van [de Inspecteur], dus ruim na het opleggen van de naheffingsaanslag. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding het onderzoek te schorsen en [de Inspecteur] op te dragen alsnog een kopie van het FIOD rapport over te leggen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat [belanghebbende] zelf reeds beschikt over het FIOD-rapport en derhalve de daarin volgens hem van belang zijnde informatie aan de rechtbank had kunnen verstrekken.

De naheffingsaanslag

14. [ Belanghebbende] heeft ter zitting aangevoerd dat de omzet zoals die door de controlerende ambtenaren is vastgesteld onjuist is, omdat zij ten onrechte zijn uitgegaan van de zogenoemde zakenkaarten waarop niet de werkelijk aan de cliënten in rekening gebrachte bedragen staan vermeld. De zakenkaarten stemmen niet overeen met de financiële administratie en bij de controle is de financiële administratie niet bekeken. Verder is ten onrechte geen rekening gehouden met de oninbare debiteuren.

15. De bewijslast dat de naheffingsaanslag niet op een te hoog bedrag is vastgesteld, rust op [de Inspecteur]. Nu [belanghebbende] niet heeft weersproken dat de naheffingsaanslag is gebaseerd op het verschil tussen de door [belanghebbende] op zijn aangiften omzetbelasting vermelde omzet en de omzet zoals die volgt uit [belanghebbendes] aangifte inkomstenbelasting voor het jaar 2008, is [de Inspecteur] in dat bewijs geslaagd. Uit het controlerapport blijkt dat de omzet is vastgesteld aan de hand van de administratie zoals die bij [belanghebbende] tijdens de controle is aangetroffen. De rechtbank volgt [belanghebbende] dan ook niet in zijn stelling dat daartoe slechts de zakenkaarten zijn geraadpleegd en dat daarom de gegevens in het controlerapport onjuist zijn. [De Inspecteur] heeft bij de uitspraak op bezwaar dan ook kunnen en mogen uitgaan van het controlerapport.

16. Tussen partijen is niet in geschil dat [belanghebbende] het factuurstelsel toepast. Gezien het bepaalde in artikel 26, eerste lid, letter a, sub 12 van de Uitvoeringsbeschikking omzetbelasting 1968 is dat ook terecht. Dat betekent dat [belanghebbende] de omzetbelasting verschuldigd is ongeacht de vraag of de door hem uitgereikte facturen daadwerkelijk zijn betaald. De stelling van [belanghebbende] dat de omzet moet worden verlaagd met het bedrag van de debiteuren is dan ook onjuist. Voor een eventuele teruggaaf wegens oninbare debiteuren dient [belanghebbende] een verzoek te doen op basis van artikel 29 van de Wet op de omzetbelasting 1968.

17. [ Belanghebbende] heeft geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de berekening van de heffingsrente en ook overigens is niet gebleken dat die naar een onjuist bedrag of in strijd met enige regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

18. Gelet op het nader ingenomen standpunt van [de Inspecteur] dient het beroep gegrond te worden verklaard. De omzet moet daarom met € 28.989 worden verlaagd tot € 1.021.267 en de naheffingsaanslag tot een bedrag van € 65.897.

Proceskosten

19. De rechtbank veroordeelt [de Inspecteur] in de door [belanghebbende] gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 990 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495 en een wegingsfactor 1). Voor een vergoeding van de proceskosten in de bezwaarfase ziet de rechtbank geen aanleiding, aangezien [belanghebbende], voordat uitspraak op bezwaar werd gedaan, daarom niet heeft verzocht. Bovendien is in bezwaar geen sprake is van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Beoordeling

5.1.

Naar ’s Hofs oordeel heeft de Rechtbank aan de hand van de zorgvuldig op basis van het geheel van voorhanden zijnde gegevens vastgestelde feiten en omstandigheden met juistheid geoordeeld dat de naheffingsaanslag terecht is opgelegd. Het Hof neemt de door de Rechtbank gebezigde overwegingen over en zal beslissen met inachtneming van de door de Inspecteur in hoger beroep aangedragen informatie, inhoudende dat in verband met een kleine herrekening van de omzet van belanghebbende tot op € 1.011.653, de naheffingsaanslag moet worden verminderd met € 1.535, met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente.

5.2.

Bij zijn afweging heeft het Hof zwaar laten wegen dat belanghebbende in hoger beroep geen feiten en omstandigheden heeft gesteld en, voor zover gesteld tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt, die een andere conclusie rechtvaardigen. Het verweer van belanghebbende dat hij zich – hoe dan ook – niet of niet voldoende heeft kunnen verweren, faalt. Bezwaarlijk kan worden gezegd dat belanghebbende niet naar behoren de gelegenheid en de tijd heeft gehad zijn grieven tegen de naheffingsaanslag te concretiseren en te specificeren. Belanghebbende heeft meermaals aangekondigd zijn administratie opnieuw op te stellen. Zo al gezegd kan worden dat belanghebbende gevolg heeft gegeven aan die aankondigingen, acht het Hof de inspanning(en) van belanghebbende weinig succesvol. Opmerking verdient vooral dat – de Inspecteur geeft het keer op keer onderbouwd aan – de aan de naheffing ten grondslag liggende gegevens en cijfers van belanghebbende zelf afkomstig zijn. In dat verband wijst het Hof op de niet weersproken verklaringen en antwoorden ter zitting van belastingmedewerker [A] . Hij en [B] van [C] zijn, met instemming van partijen, niet als getuigen gehoord, maar opgetreden in de hoedanigheid van bijstand van partijen. De verklaringen en antwoorden van [A] houden in dat hij bij de aanvang van de controle in verband met de ten kantore van belanghebbende hem gepresenteerde aanwezige administratie van een kleine honderd ordners, belanghebbende een elektronische versie heeft gevraagd en enkel aan de hand van de toen door belanghebbende op een geheugenstick verschafte informatie zijn controlewerkzaamheden, leidend tot de naheffingsaanslag, heeft verricht, ook na de informatie samen met belanghebbende op diens computer, met enkele steekproeven, te hebben nagelopen. [A] heeft erop gewezen aldus de omzet te hebben bepaald en de verschuldigde omzetbelasting te hebben berekend, rekening houdend met de geboekte aftrekbare voorbelasting en zonder enige correctie op de verstrekte gegevens aan te brengen. In het bijzonder is ook van belang dat belanghebbende, in tegenstelling tot diens stellingname ter zitting, verschillende keren – het Hof wijst onder andere naar de brief van 26 januari 2015 en de diverse door belanghebbende tegenover de FIOD in een strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaringen – de aldus vastgestelde omzet bij de Raad voor de Rechtsbijstand en het niet aan de Belastingdienst hebben betaald van omzetbelasting over de van de Raad voor de Rechtsbijstand ontvangen bedragen (toevoegingsgelden) heeft bevestigd. Het door belanghebbende of door de gemachtigde van belanghebbende naar voren gebrachte andere beeld, waar het gaat om de gegevens, de gehanteerde codes en de afwijkende cijfermatige exercities, leidend tot de door hem getrokken conclusies, overtuigt het Hof niet, met dien verstande dat de als nieuw te kenschetsen informatie op veel onderdelen tegenstrijdig en ook, in het licht van alle eerdere uitlatingen van belanghebbende, weinig geloofwaardig is.

5.3.

Het Hof komt tot de slotsom – ook gelet op de door de Inspecteur in het verweerschrift in hoger beroep en in zijn pleitnota gegeven, door belanghebbende niet afdoende weersproken, uiteenzettingen – dat de door belanghebbende aangevoerde stellingen en in het geding gebrachte hoeveelheid stukken geen doel treffen. Al met al roept de aanpak van belanghebbende het beeld op dat hij met een veelheid van stukken en (nieuwe) stellingen het zicht op de werkelijke (eigen) cijfers heeft willen vertroebelen. In verband met de nadere berekening van de Inspecteur dient de naheffingsaanslag wel te worden verminderd met € 1.535, met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente, de door de Rechtbank aan de heffingsrente gewijde overweging volgend. In zoverre treft het hoger beroep doel.

Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behalve de beslissingen over de proceskosten en het griffierecht;

– vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

– vermindert de naheffingsaanslag tot op € 64.362, met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente;

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990; en

– gelast de Inspecteur het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 250 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier R.W. Otto. De beslissing is op 8 december 2017 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

– – de naam en het adres van de indiener;

– – de dagtekening;

– – de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

– – de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Comments (0)

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*