Landelijke Vereniging Lokale Belastingen
Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:1360&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Heeft u vragen of opmerkingen?

Je naam (verplicht)

Je e-mail (verplicht)

Onderwerp

Je bericht



Wanneer je dit formulier gebruikt, ga je akkoord met de opslag en verwerking van jouw gegevens door deze website.

Informatie

Wij horen graag van u. Vul het formulier in, dan zullen wij spoedig reageren.

Volg ons overal...

ONS ADRES

Verenigingsbureau LVLB
Stadsplateau 1
3521 AZ Utrecht

Postbus 5150
3502 JD Utrecht

Telefoon: 0183-641070
Email: info@lvlb.nl

ECLI:NL:GHDHA:2018:1360 Gerechtshof Den Haag, 05-06-2018, BK-17/00908

ECLI:NL:GHDHA:2018:1360 Gerechtshof Den Haag, 05-06-2018, BK-17/00908
7 juni 2018 Verenigingsbureau
Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHDHA:2018:1360&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

ECLI:NL:GHDHA:2018:1360

Link gekopieerd naar het klembord

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2018
Datum publicatie
07-06-2018
Zaaknummer
BK-17/00908
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2017:7983, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Leges voor het in behandeling nemen van een aanvraag bouwvergunning dakkapel zijn verschuldigd op grond van de Verordening leges gemeente Alblasserdam. Belanghebbende doet wel terecht een beroep op gelijkheidsbeginsel. De omstandigheid dat eerder aan de aannemer van het project waarvan de woning van belanghebbende deel uitmaakt, een omgevingsvergunning is verleend op grond waarvan het ook mogelijk was om op de woning als meerwerk een dakkapel te laten plaatsen, doet niet af aan de verschuldigdheid van leges ter zake van het in behandeling nemen van de door belanghebbende ingediende aanvraag. Belanghebbende heeft aannemelijk gemaakt dat de gemeente een gedragslijn volgde die ertoe heeft geleid dat na de oplevering van het project dakkapellen zijn geplaatst zonder dat ter zake leges zijn geheven. Nu deze gedragslijn in het geval van belanghebbende, dat niet wezenlijk afwijkt van de gevallen waarin geen leges zijn geheven, niet is toegepast, heeft de heffingsambtenaar gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-17/00908

Uitspraak van 5 juni 2018

in het geding tussen:

[X] . te [Z] , belanghebbende,

de heffingsambtenaar van de gemeente [Z] , de heffingsambtenaar,

(vertegenwoordiger: C.W.M. Berendsen)

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 30 oktober 2017, nummer ROT 16/858, betreffende de onder 1.1. vermelde schriftelijke kennisgeving.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1.

De heffingsambtenaar heeft bij schriftelijke kennisgeving van 25 augustus 2015 van belanghebbende leges ten bedrage van € 999,79 gevorderd (hierna: de aanslag) ter zake van het in behandeling nemen van een aanvraag van een omgevingsvergunning.

1.2.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij uitspraak van 10 november 2015 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en de aanslag verminderd tot € 834,21.

1.3.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag leges verminderd tot € 767,05 en de heffingsambtenaar opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 46 te vergoeden.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1.

Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is een griffierecht geheven van € 124.

2.2.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 24 april 2018. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

3.1.

Belanghebbende heeft op 12 juni 2015 een omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw van een dakkapel aan de voorkant en een dakkapel aan de achterkant van zijn twee-onder-een-kapwoning, gelegen in de buurt “ [Y] ” aan het [A] te [Z] .

3.2.

De omgevingsvergunning is op 5 augustus 2015 verleend. De bouwkosten zijn vastgesteld op € 12.400 (exclusief BTW) voor twee dakkapellen. Blijkens bijlage bij de vergunning luidde het advies van de afdeling RMO:

“Stedenbouw

Bij de belendende bouw is reeds aan de achterzijde een vergelijkbare dakkapel geplaatst. Ook elders in de buurt [Y] komen enkele vergelijkbare dakkapellen voor. Er bestaan uit Stedenbouwkundig- en Planologisch oogpunt geen bezwaren tegen het bouwplan, mits voldaan wordt aan de eis van stedenbouw dat de afmetingen en positionering van de dakkapel op het dakvlak overeenkomen met de reeds bestaande dakkapel op de belendende woning.”

3.3.

Belanghebbende heeft na overleg met de gemeente de aanvraag gewijzigd en de daarin vermelde afmetingen en positionering van de dakkapellen aangepast aan die van de dakkapel van de belendende twee-onder-een-kapwoning (nr. 15). Belanghebbende heeft uiteindelijk alleen aan de achterkant van de woning een dakkapel gerealiseerd.

3.4.

De eigenaar van de nabijgelegen twee-onder-een-kapwoning nr. 17 heeft in januari 2016 aan de achterkant van zijn woning een dakkapel laten aanbrengen. Desgevraagd heeft de gemeente hem meegedeeld dat het aanbrengen van de dakkapel valt onder de omgevingsvergunning die is verleend aan de aannemer van de bouw van een aantal woningen, waaronder de woning van belanghebbende, aan het [A] in [Z] (het project), zodat voor het aanbrengen van de dakkapel op de woning nr. 17 geen afzonderlijke vergunning behoefde te worden aangevraagd. De uitvoering van de op de woning nr. 17 geplaatste dakkapel wijkt af van die van de op de woningen nr. 13 en nr. 15 geplaatste dakkapellen.

3.5.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de heffingsambtenaar de aanslag met € 165 verlaagd en de vergunning ingetrokken voor zover deze de dakkapel aan de voorzijde van de woning betreft.

3.6.

De Rechtbank heeft, omdat de aanslag bij de uitspraak op bezwaar nog niet was verminderd met de helft van de bouwkosten vanwege het gedeeltelijk intrekken van de vergunning, de aanslag verminderd tot € 767,05. Hierbij is uitgegaan van een bouwsom van € 6.200:

tarief binnenplanse afwijking 8,78 ‰ € 534,70

tarief bouwactiviteiten 26,66‰ € 165,29

tarief welstand 2,10 ‰ € 67,02.

De Verordening

4.1.

De heffingsambtenaar heeft de aanslag opgelegd op basis van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2014 (Legesverordening 2014; hierna de Verordening).

4.2.

Op grond van artikel 2 van de Verordening worden onder de naam “leges” rechten geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en in de daarbij behorende tarieventabel.

4.3.

Op grond van artikel 3 van de Verordening is belastingplichtig de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend en op grond van artikel 5, lid 1, van de Verordening worden de leges geheven naar de heffingsmaatstaven en tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1.

Tussen partijen is in geschil of voor het in behandeling nemen van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het aanbrengen van een dakkapel op de woning van belanghebbende leges zijn verschuldigd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de heffingsambtenaar bevestigend beantwoordt.

5.2.

Belanghebbende voert aan dat

a. a) de aan de aannemer verleende omgevingsvergunning voor het project “ [Y] ” (mede) het plaatsen van een dakkapel op de woning van belanghebbende omvat;

b) het heffen van leges voor het in behandeling nemen van de aanvraag van omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakkapel in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

5.3.

Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1.

Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, de uitspraak op bezwaar en de aanslag.

6.2.

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de Rechtbank

7. De Rechtbank heeft overwogen:

“3. De primaire beroepsgrond, dat de dakkapel vergunningsvrij is en er om die reden geen leges verschuldigd zijn, faalt.

3.1.

In artikel 2 van de Verordening op de heffing en invordering van leges 2014 zoals vastgesteld door de raad van de gemeente [Z] op 19 november 2013 (de verordening) is bepaald dat onder de naam “leges” rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten, genoemd in deze verordening en in de daarbij behorende tarieventabel.

In artikel 3 van de verordening is bepaald dat de aanvrager van de dienst dan wel degene ten behoeve van wie de dienst is verleend belastingplichtig is.

3.2.

Niet in geschil is dat [belanghebbende] een aanvraag om een omgevingsvergunning in verband met het plaatsen van een dakkapel op de voor- en achterzijde van de woning [A] te [Z] heeft ingediend. Vast staat dat deze aanvraag in behandeling is genomen. Hieruit volgt dat [belanghebbende] terecht is aangeslagen voor leges. Met het in behandeling nemen van de aanvraag tot het verkrijgen van een omgevingsvergunning verleent de gemeente een dienst in de zin van artikel 3 van de verordening. Het feit dat een aanvraag voor een omgevingsvergunning wordt afgewezen of, zoals hier het geval is, zonder noodzaak is ingediend, maakt dit niet anders. Daarbij is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van [belanghebbende] ligt om zich voorafgaand aan het indienen van de aanvraag om een omgevingsvergunning ervan te vergewissen of zo’n aanvraag noodzakelijk is. Niet in geschil is dat de directe buren van [belanghebbende] van de gemeente [Z] informatie hebben gekregen dat voor het plaatsen van een dakkapel geen vergunning nodig is, omdat de bouwer/aannemer van het nieuwbouwproject, waartoe ook de woning van [belanghebbende] behoort, hier al een omgevingsvergunning voor had gekregen, zodat er gebruik mag worden gemaakt van deze eerder verleende omgevingsvergunning. Gelet hierop is de stelling van [belanghebbende] dat de gemeente in zijn geval onjuiste informatie heeft verstrekt, niet aannemelijk.

4. De subsidiaire beroepsgrond, dat de leges te hoog zijn vastgesteld, slaagt.

4.1. [

De heffingsambtenaar] heeft naar aanleiding van het bezwaarschrift de leges berekend naar de gehalveerde bouwkosten en de leges verlaagd met € 165,-. Bij het berekenen van de leges in verband met de binnenplanse vrijstelling en de welstand is [de heffingsambtenaar], naar het oordeel van de rechtbank, ten onrechte uitgegaan van de volledige bouwkosten. Gelet op het vorenstaande dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De rechtbank vermindert de legesaanslag tot € 767,05. De rechtbank baseert zich hierbij op de bij de verordening behorende tarieventabel 2014.”

Beoordeling van het hoger beroep

8.1.

Ingevolge de artikelen 2 en 3 van de Verordening is belanghebbende leges verschuldigd voor het in behandeling nemen van de door hem ingediende aanvraag van een omgevingsvergunning. De omstandigheid dat eerder aan de aannemer van het project waarvan de woning van belanghebbende deel uitmaakt, een omgevingsvergunning is verleend op grond waarvan het ook mogelijk was om op de woning als meerwerk een dakkapel te laten plaatsen, doet niet af aan de verschuldigdheid van leges ter zake van het in behandeling nemen van de door belanghebbende ingediende aanvraag. In dit verband is van belang dat de omgevingsvergunning voor het project door een ander dan belanghebbende, te weten de aannemer, is aangevraagd, dat de aan de aannemer verleende omgevingsvergunning de bouw van (onder meer) een aantal woningen aan het [A] betrof terwijl het bouwwerk waarvoor belanghebbende een vergunning heeft aangevraagd, uitsluitend bestond uit het plaatsen van dakkapellen op zijn woning en voorts dat de dakkapellen voor het plaatsen waarvan belanghebbende de in behandeling genomen aanvraag – vóór de onder 3.3. genoemde wijziging ervan – heeft ingediend, in uitvoering afweken van de dakkapel die de aannemer als onderdeel van het project op andere woningen heeft geplaatst. Dat uiteindelijk, na de onder 3.3. genoemde wijziging van de aanvraag, op de woning van belanghebbende een dakkapel is geplaatst die gelijk is aan de door de aannemer als onderdeel van het project op andere woningen geplaatste dakkapellen, brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

8.2.

Belanghebbende heeft verder een beroep gedaan op schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, en daartoe aangevoerd dat de gemeente voor de bouw van de dakkapellen in het plan ” [Y] ” beleid voert dat erop neerkomt dat voor de bouw van een dakkapel na oplevering van de woningen geen (afzonderlijke)vergunning meer nodig is en dat de gemeente heeft nagelaten belanghebbende over dit beleid te informeren. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

8.3.

Belanghebbende heeft het aanvraagformulier van de omgevingsvergunning ingevuld en ingediend op advies van de aannemer. De in de aanvraag vermelde dakkapel week af van de dakkapel die de buren (nr. 15) hebben gebouwd. Na overleg met de gemeente heeft belanghebbende daarom de specificaties aangepast aan laatstgenoemde dakkapel. Daarna, in 2016, heeft de eigenaar van de nabij gelegen twee-onder-een-kapwoning nr. 17 een dakkapel laten bouwen, met een andere raampartij en in een andere kleur. In een gesprek met de eigenaar van de woning nr. 17 werd belanghebbende duidelijk dat de gemeente aan de eigenaar van nr. 17 heeft meegedeeld dat voor het plaatsen van een dakkapel na de oplevering van project geen vergunning behoefde te worden gevraagd omdat die plaatsing viel onder de aan de aannemer verleende vergunning voor het gehele project. De heffingsambtenaar heeft dit niet weersproken en evenmin dat de gemeente zich met betrekking tot de andere dakkapellen die na oplevering in het plan “ [Y] ” zijn gebouwd steeds op het standpunt heeft gesteld dat daarvoor geen vergunning nodig was, zodat ter zake ook geen leges behoefden te worden betaald. Met hetgeen hij – onweersproken – heeft aangevoerd, heeft belanghebbende aannemelijk gemaakt dat de gemeente op dit punt een gedragslijn volgde die ertoe heeft geleid dat na de oplevering van het project in een aantal gevallen een dakkapel is geplaatst zonder dat ter zake leges zijn geheven. Nu deze gedragslijn in het geval van belanghebbende, dat naar het oordeel van het Hof zowel feitelijk als juridisch niet wezenlijk afwijkt van de gevallen waarin er ter zake van het plaatsen van een dakkapel na de oplevering van het project geen leges zijn geheven, niet is toegepast, heeft de heffingsambtenaar, door daarvoor van belanghebbende wel leges te heffen, gehandeld in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dit klemt te meer omdat belanghebbende, na overleg met een gemeenteambtenaar de aanvraag wat betreft de afmetingen en de positionering van de dakkapel heeft aangepast aan de binnen het plan “ [Y] ” geldende normen. Het lag op de weg van de gemeenteambtenaar om belanghebbende tijdens of naar aanleiding van dit overleg te informeren over de hiervoor bedoelde, door de gemeente gevolgde bestendige gedragslijn. Gelet op het een en ander mag belanghebbende van de heffingsambtenaar verlangen dat ook in zijn geval van legesheffing wordt afgezien.

8.4.

Uit het vorenoverwogene volgt dat voor het in behandeling nemen van de aanvraag van belanghebbende geen leges verschuldigd zijn. De aanslag is ten onrechte opgelegd. Het hoger beroep is gegrond.

Proceskosten en griffierecht

9.1.

Er zijn geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene Wet bestuursrecht aangezien gesteld noch gebleken is dat belanghebbende voor vergoeding in aanmerking komende kosten heeft gemaakt.

9.2.

Wel dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 124 te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

– vernietigt de uitspraak van de rechtbank behoudens de vergoeding van het griffierecht;

– vernietigt de uitspraak op bezwaar;

– vernietigt de aanslag;

– gelast de heffingsambtenaar het door belanghebbende in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door G.J. van Leijenhorst, E.M. Vrouwenvelder en P.J.J. Vonk, in tegenwoordigheid van de griffier Y. Postema. De beslissing is op 5 juni 2018 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

– – de naam en het adres van de indiener;

– – de dagtekening;

– – de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

– – de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

Comments (0)

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

*