Landelijke Vereniging Lokale Belastingen
Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:337&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Heeft u vragen of opmerkingen?

    Je naam (verplicht)

    Je e-mail (verplicht)

    Onderwerp

    Je bericht



    Wanneer je dit formulier gebruikt, ga je akkoord met de opslag en verwerking van jouw gegevens door deze website.

    Informatie

    Wij horen graag van u. Vul het formulier in, dan zullen wij spoedig reageren.

    Volg ons overal...

    ONS ADRES

    Verenigingsbureau LVLB
    Stationsweg 29
    4205 AA Gorinchem

    Telefoon: 0183-641070
    Email: secretariaat@lvlb.nl

    ECLI:NL:PHR:2016:337 Parket bij de Hoge Raad, 28-04-2016, 15/02820

    ECLI:NL:PHR:2016:337 Parket bij de Hoge Raad, 28-04-2016, 15/02820
    13 mei 2016 Verenigingsbureau
    Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:PHR:2016:337&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

    1 Inleiding

    1.1

    Heden neem ik conclusie in de zaak met nummer 15/02820 naar aanleiding van het principale beroep in cassatie van het Hoogheemraadschap van Delfland, belanghebbende, het beroep in cassatie van het college van burgermeester en wethouders van de gemeente Midden-Delfland (hierna: het College), alsmede het voorwaardelijk ingestelde incidentele beroep in cassatie van belanghebbende, tegen de uitspraak van 13 mei 2015 van het gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof).1

    1.2

    Belanghebbende, een waterschap, is eigenaar van een groot complex, door partijen aangeduid als de afvalwaterzuiveringsinstallatie [A] , gelegen aan de [a-straat 1] te [Q] (hierna: het complex). Het complex bestaat uit gebouwen, installaties, infrastructuur en een perceel grond met een oppervlakte van 22.94.49 hectare.2

    1.3

    Met de bouw van het complex, een samenstel van gebouwde en ongebouwde eigendommen, is in 2004 begonnen. Het is gedeeltelijk in 2006 en in zijn geheel in 2007 in gebruik genomen.

    1.4

    Voor de bouw en realisatie van het complex heeft belanghebbende met [B] B.V., in het kader van een publiek-private samenwerking, op 4 december 2003 een Design, Build, Finance and Operate-overeenkomst (hierna: DBFO-overeenkomst) gesloten. De dagelijkse exploitatie van het complex heeft [B] B.V. overgedragen aan [C] B.V.

    1.5

    De DBFO-overeenkomst heeft een looptijd van dertig jaar. Na afloop eindigt het gebruiksrecht en dient [B] B.V. het perceel met het daarop gerealiseerde kosteloos aan belanghebbende ter beschikking te stellen.3

    1.6

    De heffingsambtenaar van de gemeente Midden-Delfland (hierna: de Heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) bij beschikkingen van 30 december 2011 (hierna: de WOZ-beschikkingen) de waarden van het complex voor de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 vastgesteld, op respectievelijk € 219.474.000, € 220.662.000 en € 205.446.000. Elke beschikking is in één geschrift bekendgemaakt en verenigd met de voor het desbetreffende jaar aan belanghebbende opgelegde aanslag in de onroerendezaakbelastingen van de gemeente Midden-Delfland (hierna: de OZB-aanslagen).

    1.7

    Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de WOZ-beschikkingen en de OZB-aanslagen. De Heffingsambtenaar heeft belanghebbendes bezwaren ongegrond verklaard.

    1.8

    Belanghebbende heeft daartegen beroep ingesteld bij de rechtbank Den Haag (hierna: de Rechtbank).4 Bij de Rechtbank was in de eerste plaats in geschil of de Heffingsambtenaar de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties juist heeft toegepast. Voorts was in geschil of de Heffingsambtenaar de waarde van het complex ook overigens, al dan niet, op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

    1.9

    Ingevolge de zogenoemde uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties, wordt bij het bepalen van de WOZ-waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van ‘werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning’. Deze (waarderings)uitzondering is opgenomen in artikel 18, lid 4 van de Wet WOZ juncto artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel h van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ (hierna: de Uitvoeringsregeling). Dezelfde uitzondering geldt ingevolge artikel 220d, lid 1, aanhef en onderdeel h van de Gemeentewet bij het bepalen van de heffingsmaatstaf van de OZB.

    1.10

    De Rechtbank heeft geoordeeld dat voor wat betreft het gehele complex is voldaan aan de voorwaarden voor het toepassen van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties. Aldus had de Heffingsambtenaar bij het bepalen van de WOZ-waarden van het complex de waarde daarvan in zijn geheel buiten aanmerking moeten laten. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de bij de WOZ-beschikkingen vastgestelde waarden verminderd tot nihil en de OZB-aanslagen vernietigd.

    1.11

    De Heffingsambtenaar heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

    1.12

    Bij het Hof was in de eerste plaats in geschil of de waarde van het complex, vanwege toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties, geheel of gedeeltelijk buiten aanmerking diende te worden gelaten. Ingeval het Hof mocht komen tot het oordeel dat de waarde van het complex niet of slechts gedeeltelijk buiten aanmerking dient te worden gelaten, wordt vervolgens toegekomen aan de vraag welke WOZ-waarden voor de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 aan het complex dienen te worden toegekend.

    1.13

    Het Hof heeft ten aanzien van het eerste geschilpunt geoordeeld dat de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties in principe van toepassing is, aldus dat bij de bepaling van de waarde van het complex op grond van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties, de waarden van de tot het complex behorende werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater buiten aanmerking dienen te worden gelaten.

    1.14

    In dat kader ziet het Hof met name niet in dat de tot het complex behorende gebouwen en werken, andere dan die waarin riool- en ander afvalwater wordt gezuiverd, en gronden, niet zijnde ondergrond van werken voor de zuivering van riool- en ander afvalwater, moeten worden aangemerkt als werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater.

    1.15

    Volgens het Hof dient niet voor het complex als geheel doch voor elk werk afzonderlijk te worden beoordeeld of het wordt beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen.

    1.16

    Van een en ander uitgaande heeft het Hof geoordeeld dat de door de Heffingsambtenaar vastgestelde WOZ-waarden van het complex dienen te worden verminderd tot € 38.960.000 (2009), € 38.510.000 (2010) en € 35.890.000 (2011).

    1.17

    Belanghebbende heeft (principaal) beroep in cassatie ingesteld onder aanvoering van drie middelen.

    1.18

    Het College heeft eveneens, onder aanvoering van twee middelen, beroep in cassatie ingesteld.

    1.19

    Naar aanleiding van het beroep in cassatie van het College, heeft belanghebbende voorwaardelijk incidenteel beroep in cassatie ingesteld, onder aanvoering van drie middelen.

    1.20

    Het gaat thans in cassatie ten eerste om de uitleg en de invulling van de vraag welke ‘werken’ kunnen worden aangemerkt als te ‘zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’. Ten tweede gaat het om de maatstaf ter beoordeling wanneer bepaalde werken ‘worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen’. Dit speelt hier, omdat belanghebbende, zelf een publiekrechtelijke rechtspersoon, via [B] B.V., de dagelijkse exploitatie van het complex heeft uitbesteed aan een privaatrechtelijke onderneming, [C] B.V.

    1.21

    De verdere opbouw van deze conclusie is als volgt. In onderdeel 2 worden de feiten en het procesverloop weergegeven, gevolgd door een beschrijving van het geding dat nu in cassatie voorligt in onderdeel 3. Onderdeel 4 omvat een overzicht van relevante wet- en regelgeving, wetsgeschiedenis, jurisprudentie en literatuur.5 De onderdelen 5, 6 en 7 behelzen de beschouwing en beoordeling van de over en weer aangevoerde cassatiemiddelen. Daarop volgt de conclusie in onderdeel 8.

    2 De feiten en het geding in feitelijke instanties

    Feiten

    2.1

    Het Hof heeft de volgende feiten vastgesteld

    3.1.

    Met de bouw van het complex, dat in de hierna te noemen overeenkomsten wordt aangeduid als “ [A] ”, is in 2004 begonnen. Het is gedeeltelijk in 2006 en in zijn geheel in 2007 in gebruik genomen. Het complex bestaat uit gebouwen, installaties, infrastructuur en een perceel grond met een oppervlakte van 22.94.49 hectare.

    3.2.

    Belanghebbende is eigenaar van het complex.

    3.3.

    Belanghebbende en [B] b.v. (hierna: [B] ) hebben in het kader van een publiek-private samenwerking op 4 december 2003 een Design, Build, Finance and Ope- rate-overeenkomst (hierna: DBFO-overeenkomst) gesloten. De tekst de DBFO-overeen- komst en de daarbij behorende Schedules merkt het Hof aan als hier ingelast.

    3.4.

    [B] en [C] b.v. (hierna: [C] ) hebben op 4 december 2003 een Operations & Maintenance-overeenkomst (hierna: O&M-overeenkomst) gesloten. De tekst [van] de O&M-overeenkomst en de daarbij behorende Schedules merkt het Hof aan als hier ingelast.

    Rechtbank Den Haag

    2.2

    De Rechtbank heeft het geschil als volgt omschreven:6

    5. In geschil is of verweerder:

    1e de wettelijke bepalingen op grond waarvan bij bepaling van de waarde buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning (…) juist heeft toegepast;

    2e de waarde van de onroerende zaak ook overigens niet op een te hoog bedrag heeft vastgesteld.

    2.3

    De Rechtbank heeft, voor zover in cassatie nog van belang, overwogen:

    Ambtshalve

    (…).

    10. De onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] in [Q] , is in zijn geheel eigendom van eiser. Het betreft een perceel grond met daarop gebouwen en werken ten behoeve van de zuivering van afvalwater. Eiser heeft de zaak in zijn geheel, met inbegrip van de thans nog onbebouwde gedeelten, in gebruik gegeven aan [B] . Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van een samenstel van gebouwde eigendommen en ongebouwd eigendom, in gebruik bij dezelfde belastingplichtige en die, naar de omstandigheden beoordeeld, bij elkaar horen, als bedoeld in artikel 16, onder d, van de Wet WOZ. Verweerder is er daarom terecht van uitgegaan dat sprake is van één onroerende zaak.

    Met betrekking tot het eerste geschilpunt

    11.1

    Ingevolge artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ en artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken wordt bij de bepaling van de waarde buiten aanmerking gelaten de waarde van werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning.

    11.2

    Dezelfde uitzondering geldt, naar volgt uit artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Gemeentewet en artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Verordeningen onroerendezaakbelastingen 2009, 2010 en 2011 van de gemeente Midden-Delfland, bij de bepaling van de heffingsmaatstaf van de onroerendezaakbelastingen.

    11.3

    Ingevolge artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder h, wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerendezaakbelastingen buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd, door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning.

    11.4

    Het zuiveren van riool- en ander afvalwater is één van de aan eiser opgedragen publieke taken. Het door de AWZI [A] gezuiverde water is stedelijk afvalwater, afkomstig uit gemeentelijke, dus openbare, vuilwaterriolen, als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Waterwet.

    Zuivering van stedelijk afvalwater gebracht in een openbaar vuilwaterriool geschiedt, ingevolge het bepaalde in artikel 3.4 van de Waterwet, in een daartoe bestemde inrichting onder de zorg van een waterschap. Een zodanige inrichting kan, aldus de tweede zin van artikel 3.4 van de Waterwet, worden geëxploiteerd door het waterschap zelf dan wel door een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met die zuivering is belast.

    De rechtbank is van oordeel dat de overdracht van de exploitatie van de AWZI [A] door eiser aan [B] niet betekent dat de in artikel 3.4 van de Waterwet bedoelde zorg vanaf het moment van overdracht bij [B] en niet langer bij eiser berust.

    De rechtbank acht in dit verband van belang dat eiser de eigendom van de onroerende zaak heeft behouden en wijst erop dat het gebruik van de AWZI [A] uitsluitend is gericht op de zuivering van stedelijk afvalwater, derhalve op uitvoering van de aan eiser bij wet opgedragen taak. Van enig gebruik voor andere doeleinden dan de zuivering van stedelijk afvalwater ten behoeve van eiser is geen sprake. De daadwerkelijke zuivering van het afvalwater vindt plaats op de wijze en volgens de normen als door eiser aan [B] in de DBFO-overeenkomst opgelegd.

    De met de uitvoering van het zuiveringswerk gemoeide kosten worden gedragen door eiser. Eiser is bij uitsluiting van alle anderen bevoegd om ter bekostiging van het werk een zuiveringsheffing op te leggen aan de heffingsplichtigen binnen het gebied van het waterschap. In de overeenkomst is bepaald dat eiser aan [B] een vergoeding verschuldigd is voor de zuivering van het afvalwater. De hoogte daarvan wordt bepaald door de hoeveelheid gezuiverd afvalwater.

    De zorg en de verantwoordelijkheid voor de zuivering van het afvalwater, waarvoor de onroerende zaak is gebouwd en in stand wordt gehouden, berusten blijvend bij eiser. Dat eiser gebruik gemaakt heeft van de in de tweede zin van artikel 3.4, eerste lid, van de Waterwet gecreëerde mogelijkheid om de exploitatie over te dragen aan een derde, maakt dit niet anders. Er is immers sprake van overdracht van de exploitatie en niet van overdracht van de zorg. Gelet op de hierboven beschreven omstandigheden waaronder de onroerende zaak wordt gebruikt ter uitvoering van die taak, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van beheer, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken en artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Gemeentewet en artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Verordeningen onroerende zaakbelastingen 2009, 2010 en 2011 van de gemeente Midden-Delfland.

    De rechtbank vindt in de wetsgeschiedenis van artikel 220d van de Gemeentewet steun voor de opvatting dat de AWZI [A] onder de uitzondering voor zuiveringstechnische werken valt. Ter verdediging van het wetsvoorstel, waarbij de oorspronkelijke vrijstellingsmogelijkheid werd voorgesteld, is door kamerlid Van Rossum, mede verantwoordelijk voor indiening van het betreffende amendement, aangevoerd dat heffing van onroerendgoedbelasting (thans: onroerendezaakbelasting) ter zake van door publiekrechtelijke lichamen beheerde zuiveringswerken enerzijds zou leiden tot een lager tarief voor de onroerendgoedbelasting, maar anderzijds tot een hogere verontreinigingsheffing, die zou moeten worden opgebracht door grotendeels dezelfde burgers die ook onroerendgoedbelasting betalen.7

    11.5

    Verweerder heeft een beroep gedaan op de uitspraken van gerechtshof ’s‑Gravenhage van 8 april 2008 (ECLI:NL:HSGR:BC9487) en van 6 oktober 2009 (ECLI:NL:HSGR:BL5491) en het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003 (ECLI:NL:HR:AE7337). Dit beroep faalt omdat het geen gelijke gevallen betreft. De posities van eiser en van [B] verschillen in diverse opzichten van de posities van het waterschap en de eigenaar/gebruiker van de onroerende zaak in de uitspraken van het gerechtshof ‘s-Gravenhage van 8 april 2008 en 6 oktober 2009, waarnaar verweerder heeft verwezen: de eigendom van de onroerende zaak ligt immers bij eiser en niet bij de gebruiker, er is uitsluitend gebruik gericht op de uitvoering van de publieke taak volgens de instructies van eiser en voor de uitvoering van het werk betaalt eiser een prijs.

    In het arrest van de Hoge Raad van 9 mei 2003 is uitgemaakt dat geen uitzondering als bedoeld in artikel 220d, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet bestaat voor een door een private rechtspersoon beheerde waterzuiveringsinstallatie voor de zuivering van afvalwater afkomstig uit (glas)tuinbouwbedrijven. De aanleg en exploitatie van deze waterzuiveringsinstallatie was ingegeven door het verbod van het voor de zuivering van stedelijk afvalwater verantwoordelijke waterschap om het bedrijfsafvalwater (direct) aan te bieden aan de door het waterschap beheerde waterzuiveringsinstallatie voor stedelijk afvalwater. Van de uitvoering van de bij wet opgedragen taak van het waterschap tot de zuivering van stedelijk afvalwater is [in] dat geval geen sprake.

    11.6

    Vorenstaande betekent dat voldaan is aan de voorwaarde van beheer door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ.

    12.1

    Op grond van artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ in samenhang met artikel 2, eerste lid, aanhef en onder h, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet WOZ wordt bij de bepaling van de waarde van een onroerende zaak in het kader van de Wet WOZ buiten aanmerking gelaten de waarde van werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater.

    Onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2011, ECLI:NL:HR:AD3522, overweegt de rechtbank dat hieronder dient te worden verstaan: de zuiveringsinstallatie zelf en de bestanddelen daarvan in de zin van artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek alsmede al hetgeen nodig is om die zuiveringsinstallatie te kunnen laten functioneren, dat wil zeggen geschikt te doen zijn om daarmee overeenkomstig de heden ten dage aan waterzuivering te stellen eisen op een goede en veilige manier afvalwater te zuiveren.

    12.2

    De rechtbank constateert dat het gehele object, bestaande uit de onbebouwde grond met de daarop gebouwde werken, ten dienste staat aan het proces van waterzuivering. Er zijn geen onderdelen of elementen aan te wijzen, waarvan de aanwezigheid niet verklaard wordt uit de noodzaak het proces van waterzuivering op een goede en veilige manier te laten verlopen. Voor zover delen van het object mede worden gebruikt voor activiteiten, welke niet direct de waterzuivering betreffen, zoals de ontvangst van bezoekers, gaat het om activiteiten die zowel voor wat betreft de daaraan bestede tijd als voor wat betreft het beslag op de ruimte, in vergelijking met de hoofdactiviteit van zuivering van water, verwaarloosbaar zijn.

    12.3

    Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen valt de onroerende zaak in zijn geheel onder de uitzondering van artikel 18, vierde lid, van de Wet WOZ, artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken, artikel 220d, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Gemeentewet en artikel 4, eerste lid, aanhef en onderdeel h, van de Verordeningen onroerende zaakbelastingen 2009, 2010 en 2011 van de gemeente Midden-Delfland.

    Vastgestelde waarde

    13. Verweerder had bij de bepaling van de waarde van de onroerende zaak de waarde daarvan in zijn geheel buiten aanmerking moeten laten. De door verweerder vastgestelde waarden van de onroerende zaak dienen te worden verminderd tot nihil. De door verweerder opgelegde aanslagen dienen vernietigd te worden.

    14. Gelet op het vorenoverwogene dienen de beroepen gegrond te worden verklaard.

    2.4

    De Rechtbank heeft (i) belanghebbendes beroepen gegrond verklaard, (ii) de WOZ-beschikkingen aldus gewijzigd dat de vastgestelde waarden worden verminderd tot nihil, en (iii) de OZB-aanslagen voor de jaren 2009, 2010 en 2011 vernietigd.

    Gerechtshof Den Haag

    2.5

    Het Hof heeft het geschil, voor zover in cassatie van belang, als volgt omschreven:

    4.1.

    In geschil is:

    a. of de waarde van het complex ingevolge artikel 18, lid 4, van de Wet WOZ en artikel 2, lid 1, onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken geheel of gedeeltelijk buiten aanmerking dient te worden gelaten;

    b. indien het Hof op vraag a. antwoordt dat de waarde van het complex niet of slechts gedeeltelijk buiten aanmerking dient te worden gelaten:

    welke waarden voor de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 aan het complex dienen te worden toegekend.

    2.6

    Het Hof heeft aangaande voornoemd geschil onder 4.1 sub a overwogen:

    Met betrekking tot de vraag onder 4.1. sub a

    6.3.

    In artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel h, van de Uitvoeringsregeling uitgezonderde objecten Wet waardering onroerende zaken (URUOW) is bepaald dat bij de bepaling van de waarde van een onroerende zaak buiten aanmerking wordt gelaten de waarde van werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning (hierna: de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties).

    6.4.

    Tot 1 januari 1995 hadden de meeste van de huidige uitzonderingen, waaronder de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties, de vorm van een vrijstelling. In zijn arrest van 15 juli 1987 nr. 24.238, ECLI:NL:HR:1987:AW7626, heeft de Hoge Raad beslist dat een vrijstelling niet een gedeelte van een onroerende zaak kan betreffen. Bij de Wet tot wijziging van de Gemeentewet met betrekking tot de materiële belastingbepalingen (Stb. 1994, 419) zijn de vrijstellingen omgezet in uitzonderingen. Een uitzondering is een nadere waarderingsregel; zij bewerkstelligt dat bij de bepaling van waarde van een onroerende zaak de waarde(n) van het (de) uitgezonderde object(en) dat (die) tot de onroerende zaak behoort (behoren), buiten aanmerking wordt (worden) gelaten. Slechts indien de onroerende zaak samenvalt met een uitgezonderd object dan wel uitsluitend bestaat uit uitgezonderde objecten, leidt de uitzondering ertoe dat de gehele waarde van de gehele onroerende zaak buiten aanmerking wordt gelaten en heeft de uitzondering hetzelfde effect als een vrijstelling van de onroerende zaak.

    6.5.

    Het vorenstaande brengt mee dat ter beantwoording van de vraag of bij de bepaling van de waarde van het complex op grond van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties de waarde(n) van het (de) tot het complex behorende werk(en) dat (die) is (zijn) bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater buiten aanmerking dient (dienen) te worden gelaten, niet voor het complex als geheel doch voor elk werk afzonderlijk dient te worden beoordeeld of het wordt beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen.

    6.6.

    Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever aan het begrip ‘werk’ voor (aanvankelijk) de vrijstelling en (later) de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties een andere betekenis heeft willen toekennen dan die, welke daaraan in artikel 3:3, lid 1, van het Burgerlijk Wetboek wordt toegekend.8 In deze bepaling worden ‘werken’ onderscheiden van ‘gebouwen’; voor het overige wordt in de bepaling geen invulling aan het begrip ‘werken’ gegeven. Het Hof leidt uit onder meer HR 23 februari 1994 nr. 28837, ECLI:NL:HR:1994:ZC5590, HR 6 juni 2003, nrs. 36075 en 36076, ECLI:NL:HR:2003:AD3578 en ECLI:NL:HR:2003:AD3591 af dat elke constructie die naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven, een ‘werk’ in de zin van de zo-even genoemde wetsbepaling kan zijn.

    6.7.

    Het begrip “beheer” komt drie maal voor in artikel 2 van de URUOW. De wetgever heeft echter nagelaten de betekenis van “beheer” te verduidelijken. Ook in andere wettelijke bepalingen betreffende de (decentrale) belastingheffing wordt de term “beheer” gebruikt en ook daar ontbreekt een verduidelijking van de betekenis van de term. Derhalve dient het Hof zelf aan de term “beheer” invulling te geven.

    6.8.

    Naar het oordeel van het Hof is onder het beheer van een werk te verstaan het uitoefenen van de feitelijke macht over het werk. Daarbij is niet van belang of degene die de feitelijke macht over het werk uitoefent, dit doet voor zichzelf, bijvoorbeeld als eigenaar of als huurder, dan wel voor een ander, bijvoorbeeld op basis van een met de eigenaar of de huurder van het werk gesloten exploitatieovereenkomst. Van beheer is evenwel geen sprake indien de feitelijke macht over het werk wordt uitgeoefend zonder rechtsgeldige titel en tegen de wil van degene die gerechtigd is de feitelijke macht over het werk uit te oefenen. De beheerder van een werk verliest het beheer daarvan indien de feitelijke macht over het werk bevoegdelijk wordt overgedragen aan een ander.

    6.9.

    Aan het beheer van een werk door degene die de feitelijke macht daarover uitoefent, staat niet in de weg dat een (orgaan, dienst of instelling van een) publiekrechtelijk rechtspersoon krachtens de wet de (eind)verantwoordelijkheid heeft voor het goed functioneren van een werk. Evenmin staat daaraan in de weg dat een (orgaan, dienst of instelling van een) publiekrechtelijk rechtspersoon op grond van een bij of krachtens de wet toegekende bevoegdheid regels kan stellen of bindende aanwijzingen kan geven aan degene die de feitelijke macht over het werk uitoefent of dat in de overkomst waarbij de feitelijke macht over het werk is overgedragen, voorwaarden worden gesteld of verplichtingen worden opgelegd. Dit laatste lijdt uitzondering indien de gestelde voorwaarden en/of opgelegde verplichtingen zo verstrekkend zijn dat de publiekrechtelijke rechtspersoon door middel van de voorwaarden en/of verplichtingen de feitelijke macht over het werk (opnieuw) aan zich heeft getrokken. Deze invulling van het begrip “beheer” ontleent het Hof aan het spraakgebruik alsmede aan HR 4 februari 2011 nr. 08/03536 ECLI:NL:HR:2011:BP2972, waarin de Hoge Raad overweegt dat geen sprake is van beheer indien de publiekrechtelijke rechtspersoon (in dat geval een gemeente) ter plaatse het bevoegd gezag uitoefent en aanwijzingen kan geven.

    6.10.

    Naar het oordeel van het Hof laten de DBFO-overeenkomst, de M&O-overeenkomst en de bij deze overeenkomsten behorende Schedules geen andere conclusie toe dan dat belanghebbende het beheer van alle van het complex deel uitmakende werken heeft overgedragen aan een derde die niet kan worden aangemerkt als een (orgaan, dienst of instelling van een) publiekrechtelijk rechtspersoon. In het midden kan blijven of die derde [B] dan wel [C] is. Aan dit oordeel doet niet af dat de van het complex deel uitmakende werken worden ingezet voor een publieke taak en dat aan belanghebbende de zorg en de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van die taak zijn opgedragen. Evenmin doet daaraan af hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over zijn publiekrechtelijke en/of (mede) aan de beide overeenkomsten en de daarbij behorende Schedules ontleende bevoegdheden en taken met betrekking tot de van het complex deel uitmakende werken.

    6.11.

    Uit het vorenstaande volgt dat de van het complex deel uitmakende werken bij de aanvang van de jaren 2009, 2010 en 2011 niet werden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen. Deze omstandigheid acht het Hof echter onvoldoende om op grond daarvan te oordelen dat de uitzondering van artikel 2, lid 1, aanhef en onderdeel h, van de URUOW met betrekking tot de van het complex deel uitmakende werken toepassing mist. Hiertoe overweegt het Hof het volgende.

    6.12.

    De vrijstelling die aan de uitzondering van rioolwaterzuiveringsinstallaties vooraf ging, is in de (oude) gemeentewet opgenomen bij wet van 22 december 1982, Stb. 1982, 723, houdende wijziging van de gemeentewet met betrekking tot de gemeentelijke belastingen en van de Bevoegdhedenwet waterschappen met betrekking tot waterschapsbelastingen. De vrijstelling is bij amendement in de wet van 22 december 1982 opgenomen. Het amendement is als volgt toegelicht:

    ‘In verband met het bijzondere karakter van waterstaatswerken en mede gelet op de in de nota naar aanleiding van het verslag gegeven uiteenzetting door de bewindslieden om waterstaatswerken buiten toepassing van de onroerendgoedbelasting te houden wordt het wenselijk geacht dit streven langs wettelijke weg te realiseren door middel van wettelijke vrijstellingen. Volledigheidshalve wordt daarbij aangetekend dat – zoals ook bij de behandeling van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren in de Tweede Kamer is vastgesteld (Handelingen II 11 juni 1968, p. 2441) – werken bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater als waterstaatswerken dienen te worden aangemerkt. Ter vermijding van ieder misverstand worden de zuiveringstechnische werken door splitsing van het amendement in twee gedeelten afzonderlijk vermeld.’ (Kamerstukken II 1982/83, 17 653, nr. 10.)

    6.13.

    Op 22 december 2009 is de Wet van 29 januari 2009, houdende regels met betrekking tot het beheer en gebruik van watersystemen (Waterwet) in werking getreden. Artikel 3.4. lid 1 van de Waterwet luidt:

    “Zuivering van stedelijk afvalwater gebracht in een openbaar vuilwaterriool geschiedt in een daartoe bestemde inrichting onder de zorg van een waterschap. Een zodanige inrichting kan worden geëxploiteerd door het waterschap zelf dan wel door een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met die zuivering is belast.”

    Deze bepaling stond eerder, zij het iets anders verwoord, in artikel 15a van de (inmiddels vervallen) Wet verontreiniging oppervlaktewateren (Wvo). Genoemd artikel 15a is in de Wvo opgenomen bij Wet van 30 januari 2002, Stbl. 102, in werking getreden op 1 juli 2002. In de memorie van toelichting bij het voorstel van deze wet, Kamerstukken II 2000/01, 27 615, nr. 3, wordt onder meer opgemerkt:

    “Het is de bedoeling dat met dit wetsvoorstel het beginsel, dat de zuivering van stedelijk afvalwater behoort tot de publieke taak – hetgeen de zorgplicht voor de in bredere zin met waterbeheer belaste waterschappen impliceert – een plaats krijgt in de Wvo. In het wetsvoorstel heeft dit vorm gekregen door een wettelijke beginselbepaling die als nieuw artikel 15a (Hoofdstuk IIC) wordt ingevoegd. Dat nieuwe artikel houdt in, dat de zuivering van het stedelijk afvalwater plaats vindt in een rioolwaterzuiveringsinrichting in beheer bij een waterschap dan wel, in opdracht van een waterschap, in een zuiveringsinrichting van derden (dat laatste punt wordt nader uiteengezet in onderdeel 4 van deze memorie van toelichting).

    (…)

    4. Zuivering van het stedelijk afvalwater in opdracht van het waterschap

    Naast de situatie dat het waterschap zuivert in een eigen inrichting die het waterschap zelf in beheer heeft en exploiteert, kan het zijn dat het bestuur van het waterschap als overheid de zuivering in zijn opdracht laat verrichten door een derde.

    Het publieke belang daarvan is in het bijzonder gelegen in het kunnen bevorderen van zo laag mogelijke zuiveringslasten voor burger en bedrijfsleven. Bij dat laatste past ook dat de betrokken waterschappen daarbij handelen met inachtneming van de algemene mededingingsregels. Deze mogelijkheden zijn overigens van verscheidene aard. Het kan in concreto betekenen dat een waterschap in de gelegenheid is om voor de zuivering van het rioolwater op contractbasis gebruik te maken van een niet in waterschapsbeheer zijnde, commercieel geëxploiteerde, zuiveringsinrichting.

    (…)

    Het wetsvoorstel houdt met het voorgaande uitdrukkelijk rekening door bedoeld artikel 15a. Die bepaling voorziet namelijk ook in de mogelijkheid dat de zuivering van het stedelijk afvalwater in plaats van in een rioolwaterzuiveringsinrichting van het waterschap geschiedt in een zuiveringsinrichting van een derde in opdracht van het waterschap. (…)

    Bij dit alles moet niet uit het oog worden verloren, dat het hier betreft de vervulling van een bij provinciale verordening aan het waterschap opgedragen (zuiverings)taak.

    (…)

    Uitgangspunt bij het door het waterschapsbestuur aan een derde verstrekken van een dergelijke opdracht (en de aanvaarding daarvan door die derde) is de overheidsverantwoordelijkheid, die het waterschap draagt uit hoofde van zijn zorg voor de zuivering van het stedelijk afvalwater. Een vereiste voor de «uitbesteding» van de feitelijke uitvoering van die zuivering, zal in elk geval zijn dat die verantwoordelijkheid blijft gewaarborgd en dat het waterschapsbestuur in staat is deze in zowel bestuurlijk, juridisch als feitelijk opzicht tot gelding te brengen.”

    6.14.

    Naar het oordeel van het Hof zouden, gelet op hetgeen onder 6.12 en 6.13 is overwogen, doel en strekking van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties – welk doel en welke strekking in de onder 6.12 opgenomen passage uit de wetsgeschiedenis beknopt zijn verwoord – worden miskend indien een afvalwaterzuiveringsinstallatie die wordt beheerd door een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met toepassing van de tweede volzin van artikel 3.4 lid 1 van de Waterwet met de zuivering van riool- en ander afvalwater is belast, van de toepassing van de uitzondering wordt uitgesloten. Dat een waterschap op deze wijze vorm geeft aan de uitvoering van de hem in artikel 3.4, lid 1, eerste volzin, van de Waterwet opgedragen zorg voor de zuivering van stedelijk afvalwater, mag, nu de wetgever deze vormgeving uitdrukkelijk heeft gewild en mogelijk gemaakt, niet aan de toepassing van de uitzondering in de weg staan.

    6.15.

    Gelet op hetgeen onder 6.3 tot en met 6.14 is overwogen dient bij de bepaling van de waarde van het complex de waarde van de daarvan deel uitmakende werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater buiten aanmerking te worden gelaten.

    2.7

    Het Hof heeft met betrekking tot het geschil onder 4.1 sub b overwogen:

    Met betrekking tot de vraag onder 4.1. sub b

    6.16.

    De vraag onder 4.1. sub b valt uiteen in drie deelvragen, te weten:

    a. welke waarde vóór toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties had het complex op elk van de waardepeildata;

    b. welk deel (welke delen) van het complex dient (dienen) te worden aangemerkt als een werk dat (werken die) is (zijn) bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater; en

    c. welke waarde had elk van de in antwoord op de vraag sub b genoemde delen op elk van de waardepeildata.

    6.17.

    Tussen partijen is niet in geschil is dat de waarde van het complex dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde. Het Hof sluit zich aan bij deze, naar zijn oordeel juiste, gezamenlijke opvatting van partijen. Uit de wetsgeschiedenis kan worden afgeleid dat onder de gecorrigeerde vervangingswaarde van een onroerende zaak dient te worden verstaan de waarde die de onroerende zaak voor de eigenaar zelf heeft (vergelijk HR 8 juli 1992, nr. 27 678, BNB 1992/298 en HR 5 juni 1996, nr. 30314, BNB 1996/250). Naar het oordeel van het Hof dient, nu de waarde van het complex dient te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde, bij de beantwoording van de vraag onder 6.16 sub c de waarde van elk van de onder 6.16 sub b genoemde delen te worden bepaald op de gecorrigeerde vervangingswaarde van dat deel.

    6.18.

    Bij beschikking van 28 oktober 2014 heeft het Hof het onderzoek heropend en partijen gevraagd het Hof gemotiveerd mee te delen hoe naar hun opvatting de onder 6.16 genoemde vragen dienen te worden beantwoord. Voorts heeft het Hof in de beschikking aan partijen gevraagd om van de motivering van hun antwoorden op de onder 6.16 genoemde vragen ten minste een aanduiding van de deelobjecten (objectaanduiding) deel uit te laten maken alsmede de voor de bepaling van de gecorrigeerde vervangingswaarde relevante object- en marktgegevens en – indien bij de waardebepaling wordt afgeweken van deze marktgegevens – de reden(en) van deze afwijking.

    6.19.

    De heffingsambtenaar heeft in zijn brief van 26 januari 2015 – samengevat – de volgende standpunten ingenomen:

    a. de waarden van het complex op de waardepeildata voor toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties zijn gelijk aan de onder 1.1 vermelde vastgestelde waarden;9

    b. de werken die dienen te worden aangemerkt als werken voor de zuivering van riool- en ander afvalwater zijn in de overzichten, opgenomen in bijlage 3 bij de brief van 26 januari 2015, geel of groen gearceerd. Een gele arcering betekent dat bij de bepaling van de onder 1.1 vermelde vastgestelde waarden van het complex de waarde van het desbetreffende deel niet in aanmerking is genomen. Een groene arcering betekent dat bij de bepaling van de onder 1.1 vermelde vastgestelde waarden van het complex de waarde van het desbetreffende deel wel in aanmerking is genomen.

    c. aan delen van het complex die in de onder b genoemde overzichten groen zijn gearceerd, de hieronder in de kolommen 2009, 2010 en 2011 vermelde waarden dienen te worden toegekend.

    Objectonderdeel

    2009

    2010

    2011

    Voorbezinktanks (4)

    € 7.842.683

    € 7.923.738

    € 7.337.371

    Grond

    € 250.000

    € 300.000

    € 300.000

    Biologische tanks (8)

    € 76.562.599

    € 77.353.884

    € 71.629.591

    Grond

    € 2.350.00[0]10

    € 2.650.000

    € 2.650.000

    Nab[e]zinktanks (16)

    € 42.028.215

    € 42.462.583

    € 39.320.294

    Grond

    € 1.500.000

    € 1.750.000

    € 1.750.000

    Onbelichte contact-tank

    € 1.079.776

    € 1.090.936

    € 1.010.205

    Predentrificatie zone

    € 1.058.385

    € 1.069.304

    € 990.174

    Anaërobe zonetank (fosforverwijdering)

    € 6.420.516

    € 6.486.873

    € 6.006.835

    Anoxische zone tank

    € 7.899.902

    € 7.981.548

    € 7.290.903

    Aërobe zone tank

    € 17.110.301

    € 17.287.138

    € 16.007.867

    Grond

    € 2.300.000

    € 2.600.000

    € 2.600.000

    Totaal

    € 166.974.000

    € 169.462.000

    € 157.546.000

    Waarde complex na toepassing uitzondering

    € 52.500.000

    € 51.200.000

    € 47.900.000

    Ter onderbouwing van deze standpunten heeft de heffingsambtenaar bij zijn brief van 26 januari 2015 een taxatierapport overgelegd, dat op 15 januari 2014 is opgesteld door [D] .

    6.20.

    Belanghebbende heeft in zijn brief van 30 januari 2015 – samengevat – de volgende standpunten ingenomen:

    a. de waarden van het complex voor toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties zijn:

    – op waardepeildatum 1 januari 2008: € 104.777.000

    – op waardepeildatum 1 januari 2009: € 111.263.000

    – op waardepeildatum 1 januari 2010: € 101.185.000

    b./c. alle delen van het complex zijn aan te merken als werken voor de zuivering van riool- en ander afvalwater. Derhalve bedraagt de waarde van het complex na toepassing van de uitzondering € 0.

    Ter onderbouwing van deze standpunten heeft belanghebbende bij zijn brief van 30 januari 2015 taxatierapporten overgelegd die op 18 juni 2013 zijn opgesteld door [E] .

    6.21.

    Bij brieven van 27 februari 2015 en 16 april 2015 hebben partijen ingestemd met het achterwege laten van een nadere zitting.

    Met betrekking tot de vraag onder 6.16 sub a

    6.22.

    De heffingsambtenaar dient aannemelijk te maken dat hij de gecorrigeerde vervangingswaarden van het complex vóór toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties niet op te hoge bedragen heeft vastgesteld. Naar het oordeel van het Hof is de heffingsambtenaar met overlegging van het onder 6.19 vermelde taxatierapport en hetgeen hij overigens in deze procedure heeft overgelegd en aangevoerd, daarin niet geslaagd.

    Bij dit oordeel neemt het Hof in aanmerking dat de parameters die bij de waardebepaling zijn gebruikt, in het bijzonder de rekenprijzen per m2, niet zijn onderbouwd met marktgegevens – waarom het Hof in zijn brief van 28 oktober 2014 uitdrukkelijk heeft gevraagd – en evenmin met andere objectieve en voor het Hof toetsbare gegevens.

    6.23.

    Nu de heffingsambtenaar met betrekking tot de gecorrigeerde vervangingswaarden van het complex vóór toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, komt de vraag aan de orde of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de door hem verdedigde gecorrigeerde vervangingswaarden van het complex vóór toepassing van de vrijstelling van afvalwaterzuiveringsinstallaties niet te laag zijn. Belanghebbende is daarin naar het oordeel van het Hof niet geslaagd. In de onder 6.20 vermelde taxatierapporten en hetgeen belanghebbende overigens in deze procedure heeft overgelegd en aangevoerd, ontbreken marktgegevens – waarom het Hof in zijn brief van 28 oktober 2014 uitdrukkelijk heeft gevraagd – of andere objectieve en voor het Hof toetsbare gegevens inzake de parameters die belanghebbende bij de waardebepaling heeft gebruikt.

    6.24.

    Omdat geen van beide partijen aan de op haar rustende bewijslast heeft voldaan bepaalt het Hof, rekening houdend met alle feiten en omstandigheden, in het bijzonder de door partijen overgelegde taxatierapporten, de gecorrigeerde vervangingswaarden van het complex vóór toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties schattenderwijs op € 163.000.000 (waardepeildatum 1 januari 2008), € 166.000.000 (waardepeildatum 2009) en € 154.000.000 (waardepeildatum 1 januari 2010). Gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, acht het Hof aannemelijk dat deze waarden overeenkomen met de waarden die het complex op de waardepeildata voor de eigenaar (belanghebbende) zelf had.

    Met betrekking tot de vraag onder 6.16 sub b

    6.25.

    Nu belanghebbende zich op de toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties beroept en de toepassing van de uitzondering tot vermindering van de gecorrigeerde vervangingswaarde van het complex en van de ter zake van het complex aan belanghebbende opgelegde aanslagen leidt, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat belanghebbende de feiten stelt en bij betwisting door de heffingsambtenaar aannemelijk maakt waaruit de juistheid blijkt van zijn standpunt dat de volledige waarde van het complex op grond van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties buiten aanmerking moet blijven. Dienaangaande overweegt het Hof het volgende.

    6.26.

    Ter onderbouwing van zijn onder 6.25 vermelde standpunt betoogt belanghebbende primair dat het complex één zuiveringstechnisch werk is. Dit betoog laat zich naar het oordeel van het Hof niet verenigen met hetgeen uit de door partijen overgelegde taxatierapporten blijkt over de samenstelling van het complex. In de taxatierapporten worden tot het complex behorende constructies benoemd die naar ’s Hofs oordeel als een ‘werk’ in de onder 6.6 vermelde zin dienen te worden aangemerkt. Daaraan doet niet af dat de opsommingen en de – beknopte – omschrijvingen van de tot het complex behorende constructies in de door partijen overgelegde taxatierapporten niet (steeds) gelijk zijn. De onderlinge verschillen nemen namelijk niet weg dat uit beide taxatierapporten naar voren komt dat het complex niet één werk is doch is opgebouwd uit een groot aantal onderdelen waaronder diverse werken. Daarvan uitgaande dient in de onder 6.4 geschetste systematiek van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties voor elk werk afzonderlijk te worden beoordeeld of de waarde ervan bij de bepaling van de waarde van het complex buiten aanmerking blijft.

    6.27.

    Belanghebbende betoogt subsidiair dat alle onderdelen van het complex zijn aan te merken als werken voor de zuivering van riool- en ander afvalwater. Dit betoog, dat door de heffingsambtenaar gemotiveerd is betwist, overtuigt het Hof niet. Met name vermag het Hof niet in te zien dat de tot het complex behorende gebouwen en werken, andere dan die waarin riool- en ander afvalwater wordt gezuiverd, en gronden, niet zijnde ondergrond van werken voor de zuivering van riool- en ander afvalwater, moeten worden aangemerkt als werken voor de zuivering van riool- en ander afvalwater.

    6.28.

    De heffingsambtenaar heeft op de onder 6.19 beschreven wijze de door hem benoemde onderdelen van het complex in twee categorieën verdeeld:

    (i) de onderdelen die dienen te worden aangemerkt als werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en

    (ii) de andere onderdelen.

    Belanghebbende heeft de door hem benoemde onderdelen van het complex niet gecategoriseerd en heeft tegenover de door de heffingsambtenaar gemaakte categorisering slechts gesteld dat het complex één zuiveringstechnisch werk is, althans geheel bestaat uit zuiveringstechnische werken. Deze stellingen heeft het Hof op de onder 6.25 tot en met 6.27 vermelde gronden verworpen. Op grond van het een en ander acht het Hof aannemelijk dat de door de heffingsambtenaar gemaakte categorisering van de onderdelen van [het] complex juist en volledig is.

    Met betrekking tot de vraag onder 6.16 sub c

    6.29.

    Uitgaande van de door het Hof onder 6.24 schattenderwijs vastgestelde gecorrigeerde vervangingswaarden van het complex vóór toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties (hierna: de geschatte vervangingswaarden) van € 163.000.000 (waardepeildatum 1 januari 2008), € 166.000.000 (waardepeildatum 2009) en € 154.000.000 (waardepeildatum 1 januari 2010), alsmede van de door het Hof onder 6.28 aannemelijk geachte indeling van de tot het complex behorende onderdelen in onderdelen die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en andere onderdelen, is het Hof van oordeel dat van de geschatte vervangingswaarden een gedeelte, groot € 124.040.000 (waardepeildatum 1 januari 2008), € 127.490.000 (waardepeildatum 1 januari 2009) en € 118.110.000 (waardepeildatum 1 januari 2010) kan worden toegerekend aan de onderdelen van het complex die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater. De toerekening van een gedeelte van de geschatte vervangingswaarden aan de onderdelen van het complex die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater baseert het Hof op de verhouding tussen de vastgestelde waarden van het complex voor de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 en het voor elk van die jaren door de heffingsambtenaar aan de onderdelen van het complex die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater toegerekende gedeelte van de vastgestelde waarde. Daarbij neemt het Hof in aanmerking dat belanghebbende, op wie in deze de bewijslast rust, niet aannemelijk heeft gemaakt dat een groter gedeelte van de geschatte vervangingswaarden aan de onderdelen van het complex die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater moet worden toegerekend.

    Vermindering van de vastgestelde waarden

    6.30.

    Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dienen de vastgestelde waarden van het complex te worden verminderd tot € 38.960.000 (2009), € 38.510.000 (2010) en € 35.890.000 (2011).

    6.32.

    Het hoger beroep is gegrond en het incidentele hoger beroep is ongegrond.

    2.8

    Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank vernietigd en heeft de WOZ-beschikkingen aldus gewijzigd dat de vastgestelde waarden van het complex worden verminderd tot € 38.960.000 (2009), € 38.510.000 (2010) en € 35.890.000 (2011).

    5 Beschouwing en beoordeling van het beroep in cassatie van belanghebbende

    Het eerste middel

    5.1

    In zijn eerste middel stelt belanghebbende dat het Hof een onjuiste uitleg heeft gegeven aan wettelijke begrip ‘werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’.42 De daaraan door het Hof gegeven invulling leidt er volgens belanghebbende toe ‘dat werken die dienstbaar zijn aan het zuiveringsproces van dit begrip worden uitgesloten, zulks ten onrechte’.43

    5.2

    Ik merk vooreerst op dat dit middel faalt voor zover belanghebbende betoogt dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de onderhavige afvalwaterzuiveringsinstallatie niet kan worden aangemerkt als één werk in de zin van artikel 220d, lid 1, aanhef en onderdeel h van de Gemeentewet en artikel 2, aanhef en onderdeel h van de Uitvoeringsregeling.44 Het Hof heeft mijns inziens op goede gronden kunnen oordelen dat sprake is van meerdere ‘werken’ in vorenbedoelde zin.45 Voor het overige is dit oordeel van het Hof verweven met niet onbegrijpelijke waarderingen van feitelijke aard die in cassatie niet met vrucht kunnen worden bestreden.

    5.3

    Het Hof heeft, nadat het had vastgesteld dat sprake is van meerdere ‘werken’, geoordeeld dat ‘voor elk werk afzonderlijk [dient] te worden beoordeeld of de waarde ervan bij de bepaling van de waarde van het complex buiten aanmerking blijft’.46 Ook dit oordeel komt mij, gegeven de sinds 1 januari 1995 geldende systematiek van artikel 220d van de Gemeentewet, als juist voor.47

    5.4

    In het middel wordt voorts gesteld dat het Hof heeft miskend ‘dat ook de onderdelen waarin niet direct wordt gezuiverd dienstbaar zijn aan het zuiveringsproces en rechtens kwalificeren voor de toepassing van artikel 18, lid 4, van de Wet WOZ juncto artikel 2, lid 1, onderdeel h, van de [Uitvoeringsregeling]’.48

    5.5

    Ik begrijp dit middelonderdeel aldus dat daarin wordt betoogd dat het Hof een onjuiste reikwijdte heeft toegekend aan het in de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties opgenomen wettelijke begrip ‘werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’.

    5.6

    De (toenmalige) vrijstelling voor afvalwaterzuiveringsinstallaties is, naar aanleiding van de aanneming van een amendement van het Kamerlid van Rossum c.s.,49 per 1 januari 1983 opgenomen in artikel 273 (oud) van de gemeentewet.50 Dit ondanks dat de regering ‘[h]et opnemen van verplichte vrijstellingen met betrekking tot onroerende goederen van organen met een publiekrechtelijke taak’, niet gewenst achtte.51 Uit de totstandkomingsgeschiedenis van voornoemde vrijstelling blijkt dat er met name is gediscussieerd over het wel of niet opnemen in de wet van deze verplichte vrijstelling en over de inhoud van het begrip ‘waterstaatswerk’.52 Er is in de totstandkomingsgeschiedenis, voor zover ik heb kunnen overzien, niet ingegaan op de reikwijdte van het (toentertijd ingevoerde) wettelijke begrip ‘onroerende goederen die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’.53

    5.7

    In het arrest van de Hoge Raad van 25 januari 1989, BNB 1989/106,54 ging het om de reikwijdte van de toenmalige vrijstelling voor de onroerend-goedbelasting ter zake van afvalwaterzuiveringsinstallaties. Het ging daar ook om de reikwijdte van het wettelijke begrip ‘onroerende goederen die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’. In de totstandkomingsgeschiedenis is, als gezegd, geen aandacht besteed aan de reikwijdte van dit wettelijke begrip. De Hoge Raad overwoog dienaangaande:

    5. Beoordeling van de klachten

    5.1.

    Het Hof heeft geoordeeld dat de onderhavige slibbehandeling het sluitstuk vormt van elders (…) aangevangen mechanische en biologische zuivering van rioolwater zomede dat laatstbedoelde installatie en die in Mierlo in technische zin als een eenheid functioneren doordat zij onderling door middel van persleidingen welke een circuit vormen, zijn verbonden.

    Het Hof heeft voorts geoordeeld dat de slibverwerking welke in het onderwerpelijke onroerend goed te Mierlo overeenkomstig zijn bestemming plaatsvindt, een noodzakelijk en onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van het zuiveringsproces van rioolwater.

    5.2.

    Deze oordelen zijn van feitelijke aard en behoefden geen nadere motivering. De omstandigheid dat in het onderhavige onroerend goed ook slib afkomstig van andere zuiveringsinrichtingen dan die van belanghebbende wordt verwerkt, behoefde het Hof niet van voormelde oordelen te weerhouden.

    5.3.

    De klacht dat het Hof door aan voormelde oordelen de gevolgtrekking te verbinden dat sprake is van een onroerend goed als bedoeld in artikel 11, lid 1, letter f, van het Besluit onroerend-goedbelastingen, een onjuiste uitleg aan die bepaling heeft gegeven, is ongegrond. Aan deze klacht ligt ten grondslag de opvatting dat de hier aan de orde zijnde bepaling van het Besluit onroerend-goedbelastingen zo moet worden uitgelegd dat onder de in die bepaling bedoelde onroerende goederen bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater niet zijn begrepen onroerende goederen bestemd voor een slibbehandeling als de onderhavige welke een noodzakelijk en onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van het zuiveringsproces van riool- en ander afvalwater.

    Deze opvatting kan niet als juist worden aanvaard. Immers noch de tekst van het twaalfde lid van artikel 273 van de gemeentewet, waarmee die van de onderhavige bepaling van het Besluit onroerend-goedbelastingen in overeenstemming is, noch de geschiedenis van de totstandkoming van die wetsbepaling biedt steun aan een beperkte uitleg van die bepaling in de door Burgemeester en Wethouders voorgestane zin.

    5.4.

    De klachten falen derhalve.

    5.8

    De heffingsuitzonderingen voor de OZB, waaronder die voor afvalwaterzuiveringsinstallaties, zijn per 1 januari 1995 opgenomen in artikel 220d van de Gemeentewet. De uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties is per die datum opgenomen in artikel 220d, lid 1, aanhef en onderdeel h van de Gemeentewet,55 en is sindsdien tekstueel niet meer gewijzigd. Ik merk overigens op dat de per 1 januari 1995 in werking getreden wettekst voor de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties niet wezenlijk verschilt van de tekst die per 1 januari 1983 is ingevoerd.56

    5.9

    Naar mijn mening heeft, gegeven de vrijwel gelijkluidende wettelijke bepalingen, BNB 1989/106 zijn belang onder de huidige wettekst niet verloren. Uit dit arrest blijkt dat de Hoge Raad de reikwijdte van het wettelijke begrip ‘onroerende goederen die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’ niet zodanig beperkt wil uitleggen dat hieruit zou volgen dat onder dergelijke onroerende goederen ‘niet zijn begrepen onroerende goederen bestemd voor een slibbehandeling (…) welke een noodzakelijk en onlosmakelijk onderdeel uitmaakt van het zuiveringsproces van riool- en ander afvalwater’. Hierin kan mijns inziens een functionele benadering worden gezien aangaande de reikwijdte van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties.

    5.10

    Uit de totstandkomingsgeschiedenis van de per 1 januari 1995 doorgevoerde wetswijziging blijkt dat ‘[h]et karakter van de onroerend-goedbelastingen – objectieve en zakelijke belastingen die gebaseerd zijn op het profijtbeginsel in ruime zin – [met zich brengt] dat van de mogelijkheid tot het verlenen van vrijstellingen een zo beperkt mogelijk gebruik moet worden gemaakt en dat deze vrijstellingen zeker niet ruim moeten worden uitgelegd’.57

    5.11

    Uit deze totstandkomingsgeschiedenis blijkt, naar het mij voorkomt, dat de reikwijdte van de in artikel 220d van de Gemeentewet opgenomen verplichte heffingsuitzonderingen, waaronder de uitzondering van afvalwater-zuiveringsinstallaties, tamelijk beperkt dient te worden uitgelegd.58

    5.12

    Uit het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2001, BNB 2001/378,59 kan, naar het mij voorkomt, worden afgeleid dat een te beperkte uitleg van de heffingsuitzonderingen ex artikel 220d van de Gemeentewet niet juist is. In dat arrest ging het om een aan de NS voor het jaar 1996 opgelegde OZB aanslag van de gemeente Alkmaar. De Hoge Raad ging in die zaak in op de uitzondering van artikel 220d, aanhef, lid 1, onderdeel f van de Gemeentewet. Die uitzondering luidt sinds 1 januari 1995 vrijwel gelijkluidend als volgt:60

    1. In afwijking in zoverre van artikel 220c wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de onroerende-zaakbelastingen buiten aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat artikel bedoelde waarde, de waarde van:

    (…)

    f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een en ander met inbegrip van kunstwerken;

    5.13

    De Hoge Raad oordeelde in het kader van deze uitzondering in BNB 2001/378:

    3.2.

    Bij de beoordeling van die middelen dient het volgende voorop te worden gesteld.

    3.2.1.

    Onder ‘banen voor openbaar vervoer per rail’ in de zin van de vrijstelling (hierna ook: spoorbanen) dienen te worden verstaan de spoorbanen zelf en de bestanddelen daarvan in de zin van artikel 3:4 van het Burgerlijk Wetboek alsmede al hetgeen nodig is om die banen als zodanig te kunnen laten functioneren, dat wil zeggen geschikt te doen zijn om daarop overeenkomstig de heden ten dage aan openbaar vervoer per rail te stellen eisen op een goede en veilige manier voertuigen te laten rijden. Een ruimer functioneel verband voldoende te achten, zou niet in overeenstemming zijn met de kennelijke bedoeling van de wetgever slechts onzelfstandige delen die dezelfde functie als de spoorbaan vervullen in de vrijstelling te laten delen, zoals die onder meer blijkt uit de opmerking dat met ‘name zijn uitgezonderd van de vrijstelling delen die niet dezelfde functie hebben als het voorwerp van de vrijstelling’ (Kamerstukken II 1989/90, 21 591, nr. 3, blz. 2561). Mitsdien is onvoldoende dat een voorziening er overwegend op is gericht de vervoerstaak in het algemeen behoorlijk te kunnen vervullen, zoals het geval is bij perrons en laad- en losinstallaties.

    5.14

    Het lijkt mij dat die benadering ook van belang is voor de uitleg van de reikwijdte van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties.

    5.15

    In dit arrest verwees de Hoge Raad, bij zijn beslissing omtrent de reikwijdte van de in artikel 220d, aanhef, eerste lid, onderdeel f van de Gemeentewet genoemde uitzondering van, onder meer, ‘banen voor openbaar vervoer per rail’, naar een deel van de parlementaire geschiedenis dat ook relevantie heeft voor de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties. De Hoge Raad leidt uit die parlementaire geschiedenis af dat de kennelijke bedoeling van de wetgever is geweest om ‘slechts onzelfstandige delen die dezelfde functie’ vervullen in de uitzondering van artikel 220d, aanhef, eerste lid, onderdeel f van de Gemeentewet te laten delen.62 Die kennelijke bedoeling van de wetgever dient, naar het mij voorkomt, eveneens in acht te worden genomen bij het bepalen van de reikwijdte van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties.

    5.16

    Gelet op een en ander meen ik dat voor de reikwijdte van het in de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties opgenomen wettelijke begrip ‘werken de zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’, een functioneel criterium dient te gelden. Daaronder kunnen, naar ik meen, worden begrepen die onderdelen van het afgebakende object die rechtstreeks verband houden met het zuiveren van riool- en ander afvalwater en de bestanddelen daarvan in de zin van artikel 3:4 van het BW,63 alsmede elk onderdeel van het afgebakende object dat nodig is om de afvalwaterzuiveringsinstallatie als zodanig te kunnen doen functioneren.64

    5.17

    Het Hof heeft deze maatstaf kennelijk niet aangelegd, doch heeft geoordeeld dat het niet vermag in te zien ‘dat de tot het complex behorende gebouwen en werken, andere dan die waarin riool- en ander afvalwater wordt gezuiverd, en gronden, niet zijnde ondergrond van werken voor de zuivering van riool- en ander afvalwater, moeten worden aangemerkt als werken voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’.65

    5.18

    Aldus heeft het Hof, naar mijn mening, in zijn uitspraak niet de juiste maatstaf aangelegd ter beoordeling van de vraag welke werken zijn ‘bestemd voor de zuivering van riool en ander afvalwater’ in de zin van artikel 220d, lid 1, aanhef en onderdeel h van de Gemeentewet en artikel 2, aanhef en onderdeel h van de Uitvoeringsregeling.

    5.19

    Het middel slaagt. Naar ik meen dient te worden verwezen naar een ander gerechtshof, teneinde uitgaande van de juiste maatstaf feitelijk te beoordelen welke onderdelen van de onderhavige afvalwaterzuiveringsinstallatie zijn ‘bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater’.

    Het tweede middel

    5.20

    In dit middel wordt gesteld dat ‘[i]ndien het Hof in zijn uitspraak van een juiste rechtsopvatting zou zijn uitgegaan (quod non), (…) het oordeel van het Hof ten aanzien van de uitleg van “werken bestemd voor de zuivering” tevens – in het licht van de gemotiveerde stellingen van [belanghebbende] – ontoereikend gemotiveerd [is]’.66

    5.21

    Het tweede middel is kennelijk ingesteld onder de voorwaarde dat het Hof zou zijn uitgegaan van een juiste rechtsopvatting. Ervan uitgaande dat het eerste middel slaagt, is dat echter niet het geval, zodat het tweede middel geen verdere behandeling behoeft.

    Het derde middel

    5.22

    Het derde middel strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte ‘niet of onvoldoende heeft gemotiveerd op grond waarvan geen betekenis toekomt aan de toelichting en de categorisering die [belanghebbende] in haar taxatierapport heeft gegeven en op grond waarvan het Hof wel aannemelijk acht dat de door de heffingsambtenaar gemaakte categorisering van de onderdelen van het complex juist en volledig is’.67

    5.23

    Uitgaande van het slagen van het eerste middel, meen ik dat hetgeen in het derde middel is aangevoerd nader kan worden beoordeeld na verwijzing.

    6 Het beroep in cassatie van het College

    Het eerste middel

    6.1

    Het eerste middel van het College strekt ten betoge dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat het complex wordt ‘beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen’ in de zin van artikel 220d, lid 1, aanhef en onderdeel h van de Gemeentewet en artikel 2, lid 1, aanhef, en onderdeel h van de Uitvoeringsregeling.

    6.2

    Het Hof is aanvankelijk gekomen tot het oordeel dat ‘de van het complex deel uitmakende werken (…) niet werden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen’.68 Hiertoe overwoog het Hof dat ‘onder het beheer van een werk [is] te verstaan het uitoefenen van de feitelijke macht over het werk’, waarbij ‘niet van belang [is] of degene die de feitelijke macht over het werk uitoefent, dit doet voor zichzelf, (…), dan wel voor een ander, (…)’.69 Het Hof overwoog voorts dat ‘[a]an het beheer van een werk door degene die de feitelijke macht daarover uitoefent, (…) niet in de weg [staat] dat een (orgaan, dienst of instelling van een) publiekrechtelijk rechtspersoon krachtens de wet de (eind)verantwoordelijkheid heeft voor het goed functioneren van een werk’.70 Evenmin staat daaraan in de weg, aldus het Hof, ‘dat een (orgaan, dienst of instelling van een) publiekrechtelijk rechtspersoon op grond van een bij of krachtens de wet toegekende bevoegdheid regels kan stellen of bindende aanwijzingen kan geven aan degene die de feitelijke macht over het werk uitoefent of dat in de [overeenkomst] waarbij de feitelijke macht over het werk is overgedragen, voorwaarden worden gesteld of verplichtingen worden opgelegd’.71 Het Hof ontleent deze invulling van het begrip beheer ‘aan het spraakgebruik alsmede aan HR 4 februari 2011 nr. 08/03536 ECLI:NL:HR:2011:BP2972,72 waarin de Hoge Raad overweegt dat geen sprake is van beheer indien de publiekrechtelijke rechtspersoon (in dat geval een gemeente) ter plaatse het bevoegd gezag uitoefent en aanwijzingen kan geven’.73

    6.3

    Het Hof kwam in r.o. 6.10 tot de (voorlopige) conclusie dat ‘de DBFO-overeenkomst, de M&O-overeenkomst en de bij deze overeenkomsten behorende Schedules geen andere conclusie [toelaten] dan dat belanghebbende het beheer van alle van het complex deel uitmakende werken heeft overgedragen aan een derde die niet kan worden aangemerkt als een (orgaan, dienst of instelling van een) publiekrechtelijk rechtspersoon. (…). Aan dit oordeel doet niet af dat de van het complex deel uitmakende werken worden ingezet voor een publieke taak en dat aan belanghebbende de zorg en de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van die taak zijn opgedragen. Evenmin doet daaraan af hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd over zijn publiekrechtelijke en/of (mede) aan de beide overeenkomsten en de daarbij behorende Schedules ontleende bevoegdheden en taken met betrekking tot de van het complex deel uitmakende werken.’

    6.4

    Het Hof is vervolgens echter alsnog tot de conclusie gekomen dat er in casu wel sprake is van beheer door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke personen. Het Hof baseert dat oordeel op het doel en de strekking van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties. Zijn overwegingen dienaangaande luidden als volgt:

    6.14.

    Naar het oordeel van het Hof zouden, (…), doel en strekking van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties (…) worden miskend indien een afvalwaterzuiveringsinstallatie die wordt beheerd door een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met toepassing van de tweede volzin van artikel 3.4 lid 1 van de Waterwet met de zuivering van riool- en ander afvalwater is belast, van de toepassing van de uitzondering wordt uitgesloten. Dat een waterschap op deze wijze vorm geeft aan de uitvoering van de hem in artikel 3.4, lid 1, eerste volzin, van de Waterwet opgedragen zorg voor de zuivering van stedelijk afvalwater, mag, nu de wetgever deze vormgeving uitdrukkelijk heeft gewild en mogelijk gemaakt, niet aan de toepassing van de uitzondering in de weg staan.

    6.5

    Ik zou in dat kader willen wijzen op de totstandkomingsgeschiedenis van de (toenmalige) vrijstelling voor afvalwaterzuiveringsinstallaties. Daaruit kan mijns inziens worden afgeleid dat er ter beoordeling van de vraag of sprake is van ‘werken (…) die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen’, moet worden bezien of met de werken waarmee het riool- en ander afvalwater wordt gezuiverd, uitvoering wordt gegeven aan een publieke taak die bij wet is opgedragen aan de waterschappen.74

    6.6

    Ik merk op dat het zuiveren van afvalwater inderdaad een wettelijke taak van de waterschappen is.75

    6.7

    Het komt mij aldus voor dat indien sprake is van de uitvoering van een dergelijke publieke taak, daaraan de gevolgtrekking kan worden verbonden dat sprake is van ‘werken (…) die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen’ in de zin van artikel 220d, lid 1, aanhef en onderdeel h van de Gemeentewet en artikel 2, lid 1, aanhef, en onderdeel h van de Uitvoeringsregeling.

    6.8

    Deze opvatting strookt naar mijn mening met de in artikel 3.4, lid 1 van de Waterwet aan waterschappen geboden mogelijkheid om de voor de zuivering bestemde inrichting zelf te exploiteren dan wel te laten exploiteren ‘door een rechtspersoon die door het bestuur van het waterschap met die zuivering is belast’.76

    6.9

    In casu is sprake van een publiek-private samenwerking. De bij wet aan belanghebbende opgedragen afvalwaterzuiveringstaak is uit dien hoofde kennelijk uitbesteed aan een private onderneming. Belanghebbende is eigenaar (gebleven) van het complex. Vanwege de omstandigheid dat uitvoering wordt gegeven aan de bij wet aan belanghebbende opgedragen publieke zuiveringstaak is hier, ondanks dat het daadwerkelijke zuiveren van het riool- en ander afvalwater wordt verricht door de privaatrechtelijke rechtspersoon, mijns inziens sprake van ‘werken (…) die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen’ in de zin van artikel 220d, lid 1, aanhef en onderdeel h van de Gemeentewet en artikel 2, lid 1, aanhef, en onderdeel h van de Uitvoeringsregeling.

    6.10 ’

    ’s Hofs hiervoor weergegeven oordeel dienaangaande is derhalve juist, wat er overigens zij van de daarvoor gebezigde gronden.

    6.11

    Het middel faalt.

    Het tweede middel

    6.12

    Het tweede middel strekt ten betoge dat het Hof onbegrijpelijk, dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat de Heffingsambtenaar niet aannemelijk heeft gemaakt ‘dat (…) de gecorrigeerde vervangingswaarden van het complex vóór toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties niet op te hoge bedragen [zijn] vastgesteld’.

    6.13

    Het Hof heeft voor de vraag welke WOZ-waarden (vóór toepassing van de uitzondering van afvalwaterzuiveringsinstallaties) aan het complex dienden te worden toegekend op elk van de waardepeildata de bewijslast aldus verdeeld dat de Heffingsambtenaar aannemelijk diende te maken dat de door hem voorgestane waarden niet te hoog waren. Nu de Heffingsambtenaar, naar ’s Hofs oordeel, niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, heeft het Hof de verdere bewijslast aldus verdeeld dat belanghebbende aannemelijk diende te maken dat de door haar voorgestane waarden niet te laag zijn. Naar ’s Hofs oordeel is belanghebbende daar niet in geslaagd. Het Hof heeft daarom geoordeeld dat, nu geen van beide partijen aan zijn voormelde bewijslast heeft voldaan, het in goede justitie de WOZ-waarden van het complex diende vast te stellen. Het Hof heeft aldus naar mijn mening de juiste maatstaf aangelegd voor de verdeling van de bewijslast over de procespartijen.

    6.14 ’

    ’s Hofs oordeel dat de Heffingsambtenaar niet heeft voldaan aan zijn bewijslast om aannemelijk te maken dat de door hem voorgestane WOZ-waarden niet te hoog waren, is verweven met waarderingen van feitelijke aard. De in dit kader door het Hof gehanteerde keuze en waardering van de bewijsmiddelen zijn mijns inziens niet onbegrijpelijk te achten, zodat die zich niet lenen voor nadere toetsing in cassatie.

    6.15

    Het middel faalt.

    Comments (0)

    Laat een reactie achter

    Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

    *