Landelijke Vereniging Lokale Belastingen
Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2018:1926&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Heeft u vragen of opmerkingen?

Je naam (verplicht)

Je e-mail (verplicht)

Onderwerp

Je bericht



Wanneer je dit formulier gebruikt, ga je akkoord met de opslag en verwerking van jouw gegevens door deze website.

Informatie

Wij horen graag van u. Vul het formulier in, dan zullen wij spoedig reageren.

Volg ons overal...

ONS ADRES

Verenigingsbureau LVLB
Stadsplateau 1
3521 AZ Utrecht

Postbus 5150
3502 JD Utrecht

Telefoon: 0183-641070
Email: info@lvlb.nl

ECLI:NL:RBOVE:2018:1926 Rechtbank Overijssel, 05-06-2018, ak_18 _ 111

ECLI:NL:RBOVE:2018:1926 Rechtbank Overijssel, 05-06-2018, ak_18 _ 111
12 juni 2018 Verenigingsbureau
Bron: https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBOVE:2018:1926&pk_campaign=rss&pk_medium=rss&pk_keyword=uitspraken

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder naar aanleiding

van een namens eiser ingediende ingebrekestelling wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op een bezwaar tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting van 25 juni 2016, besloten geen dwangsom verschuldigd te zijn, omdat tijdig een beslissing op het bezwaar is genomen.

Bij besluit van 27 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2018.

Eiser en zijn gemachtigde zijn aldaar, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. Ebbes.

Overwegingen

1. De heffingsambtenaar van de gemeente Hellendoorn heeft eiser op 25 juni 2016 een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd.

Op 8 juli 2016 heeft de gemachtigde van eiser een pro forma bezwaarschrift ingediend.

Bij brief van 21 juli 2016 is de ontvangst van het bezwaarschrift aan eiser bevestigd en verslag gedaan van het telefonisch horen van (de gemachtigde van) eiser door de naheffingsambtenaar. In het verslag staat dat de gemachtigde van eiser in het telefoongesprek, gevraagd naar het waarom van het bezwaar, heeft geantwoord geen antwoord daarop te willen geven omdat zij eerst de gevraagde stukken wilde ontvangen. Namens de naheffingsambtenaar is in het telefoongesprek meegedeeld dat er tot zes weken na de dagtekening een gemotiveerd bezwaarschrift kan worden ingediend.

Bij brief van 12 juli 2017 heeft de gemachtigde van eiser verweerder een ingebrekestelling doen toekomen wegens het uitblijven van een beslissing op het bezwaar van 8 juli 2016.

Bij brief van 19 juli 2017 is eiser in de gelegenheid gesteld alsnog het verzuim te herstellen door de gronden van het bezwaar uiterlijk 26 juli 2017 in te dienen.

Bij uitspraak op bezwaar van 28 juli 2017 is het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard,

omdat het verzuim niet is hersteld en er geen gronden zijn ingediend. Bij uitspraak van deze rechtbank van 9 februari 2018 (ECLI:NL:RBOVE:2018:390) is het daartegen ingediende beroep ongegrond verklaard.

Bij het primaire besluit van 3 augustus 2017 heeft verweerder naar aanleiding van de

namens eiser ingediende ingebrekestelling wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen de naheffingsaanslag parkeerbelasting van 25 juni 2016, besloten geen dwangsom verschuldigd te zijn. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het bezwaarschrift eerst op 14 juli 2017 is ontvangen en met het besluit van 28 juli 2017 tijdig een beslissing op het bezwaar is genomen.

Eiser kan zich niet met dat besluit verenigen.

2. Eiser stelt zich op het standpunt dat:

– de ingebrekestelling reeds op 13 juli 2017 door verweerder is ontvangen;

– verweerder ten onrechte het in bezwaar door eiser gestelde misbruik van recht

vanwege het prematuur nemen van een beslissing op het bezwaar, heeft afgewezen;

– verweerder ten onrechte het verzoek om proceskosten in bezwaar heeft afgewezen.

3.1

Ingevolge artikel 8:55c van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) stelt de rechtbank, indien het beroep gegrond is, desgevraagd tevens de hoogte van de ingevolge afdeling 4.1.3 verbeurde dwangsom vast. Op grond van artikel 4:17, eerste lid, van de Awb verbeurt het bestuursorgaan aan de aanvrager een dwangsom voor elke dag dat het in gebreke is, doch voor ten hoogste 42 dagen. Ingevolge artikel 4:17, tweede lid, van de Awb bedraagt de dwangsom de eerste veertien dagen € 20 per dag, de daaropvolgende veertien dagen € 30 per dag en de overige dagen € 40 per dag. Ingevolge artikel 4:17, derde lid, van de Awb vangt de termijn waarover de dwangsom wordt verbeurd aan twee weken na de dag waarop de termijn voor het geven van de beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Ingevolge artikel 4:17, vijfde lid van de Awb schort een ingesteld beroep wegens het niet-tijdig beslissen de dwangsom niet op. In artikel 4:17, zesde lid van de Awb is voorts bepaald dat geen dwangsom is verschuldigd indien:

a. het bestuursorgaan onredelijk laat in gebreke is gesteld,

b. …

c. …

Niet in geschil is dat de op 12 juli 2017 verzonden ingebrekestelling reeds op 13 juli 2017

bij PCH Parking (hierna: PCH) , dat namens verweerder de bezwaren tegen parkeerbelasting afhandelt, is ontvangen. Dat deze het stuk eerst op 14 juli 2017 heeft doorgezonden aan verweerder, doet naar het oordeel van de rechtbank niets aan af aan het feit dat uitgegaan moet worden van de ontvangst op 13 juli 2017. Dit heeft tot gevolg dat de motivering van het bestreden besluit een gebrek vertoont, omdat verweerder wel degelijk 1 dag te laat een beslissing op het bezwaarschrift heeft genomen en in beginsel een dwangsom verschuldigd zou zijn.

Verweerder stelt zich in het verweerschrift echter nader op het standpunt dat de ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend en dat reeds daarom geen dwangsom is verschuldigd. De rechtbank acht dit standpunt juist en wijst er in dat verband op dat eiser reeds op 8 juli 2016 een pro forma bezwaarschrift heeft ingediend en, naar niet van de zijde van eiser is bestreden, niet lang daarna van PCH de gevraagde stukken toegezonden heeft gekregen. Bovendien is hem bij schrijven van 21 juli 2016 verslag gedaan van het telefonisch horen waarbij aan hem een termijn van 6 weken voor het indienen van de gronden van het bezwaar is gegeven. Nu eiser verweerder eerst op 12 juli 2017 en dus ruim een jaar later in gebreke heeft gesteld is ook de rechtbank van oordeel dat die ingebrekestelling onredelijk laat is ingediend. Dat verweerder eerst op 19 juli 2017 een herstel verzuimbrief ten aanzien van de gronden heeft laten uitgaan, doet daar niets aan af. Eiser had immers zelf voldoende tijd om de bezwaargronden te formuleren en daarmee het tijdstip waarop een beslissing op bezwaar zou kunnen worden genomen, naar voren te halen.

De rechtbank stelt vast dat de motivering van het bestreden besluit een gebrek vertoonde.

De rechtbank zal daarom het beroep van eiser gegrond verklaren en het bestreden besluit voor wat betreft de oorspronkelijke grond voor de afwijzing van de verschuldigdheid van een dwangsom vernietigen. Nu de gewijzigde motivering geen consequenties heeft voor het bestreden besluit, zal de rechtbank de rechtsgevolgen van het te vernietigen deel van het bestreden besluit in stand laten.

3.2

Voor zover eiser stelt dat verweerder ten onrechte het in bezwaar gestelde misbruik van recht heeft afgewezen, oordeelt de rechtbank dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat artikel 4:13, eerste lid van de Awb slechts vereist dat binnen

de wettelijk voorgeschreven termijn een besluit wordt genomen. Nog los gezien van het gegeven dat de beslissing op bezwaar tegen de belastingaanslag in rechte in stand is gebleven, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de inhoudelijke beoordeling van dat besluit daar los van stond. Deze grond treft dan ook geen doel.

3.3

Resumerend stelt de rechtbank vast dat het beroep van eiser gegrond verklaard dient te worden en dat het bestreden besluit gedeeltelijk vernietigd dient te worden. Aangezien de conclusie blijft dat er geen dwangsom is verschuldigd, kunnen de rechtsgevolgen in stand blijven.

4. Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient het griffierecht aan eiser te worden vergoed.

5. Er is geen grond voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten in bezwaar, nu het primaire besluit niet wordt herroepen. Wel is er grond om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 125,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 501,– , en wegingsfactor 0,25).

De rechtbank is van oordeel dat deze zaak van zeer gering gewicht is, nu de onderhavige procedure slechts betrekking heeft op de vraag of verweerder niet tijdig heeft beslist op het bezwaar en er een dwangsom verbeurd moet worden verklaard.

Beslissing

De rechtbank :

  • verklaart het beroep gegrond;

  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit in stand blijven;

  • draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 170,– aan eiser te vergoeden;

  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 125,25.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, rechter, in aanwezigheid van

M.W. Hulsman, als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op: